Zoek
 
Sluiten
INDISCHE ENCYCLOPEDIE
Indopedia
INDOPEDIA
De Indische Encyclopedie
 

Index encyclopedie

Recepten, Gerechten

Djamu (Jamu) - medicinale kruiden , planten en vruchten. Ziekten & Kwalen

Indische Boekrecensies

Verhalen

Bladmuziek Krontjong

Indische culturele agenda / kalender
Bezoekers vanaf jun. '09

 16337041 Bezoekers

 12 Bezoekers online

Schrijf u hier in voor onze nieuwsbrief.
LpdyK
Tik de bovenstaande code:
rss Deze artikelen zijn ook met een RSS reader te lezen. :
https://www.indopedia.nl/data/nl-articles.xml

Aardolie (Javaans: lantoeng of latoeng) is al lang bij de bevolking bekend. Ze gebruikte dit natuurproduct als verlichtingsmiddel. Als geneesmiddel en de ingedikte soort voor het herstellen van hun prauwen. De olie vloeide op verschillende plaatsen uit de bodem. In Langkat werd in telaga's ondiepe putjes) de olie verzameld, in Palembang kwam bij Minjak Itam in de nabijheid van Moeara Enim een oliebron voor, op Java wijzen de plaatsnamen met lantoeng of latoeng op het voorkomen daarvan.  De aardolie is een ontledingsproduct van dierlijke en plantaardige organismen, die in vorige geologische tijdperken in ondiepe zeeën en moerassen leefden, overdekt raakten en afgesloten van de lucht door natuurlijke warmte ontleed werden.

Indische bruinkoollagen, die op de een of andere wijze in brand zijn geraakt b.v. bij de ladangbranden, geven bij onvolkomen verbranding een scherpe stekende lucht af, waarin duidelijk een lucht van ongezuiverde benzine te onderscheiden is. Ruwe olie is een mengsel van verschillende koolwaterstoffen, die grotendeels tot de methaanreeks en voorts tot de reeksen van aethylenen, acethylenen, naphtenen, terpenen en benzolen behoren. Ze is bruin tot zwart van kleur, dun tot dik vloeibaar, met een sg. van 0.75-1. De olie verzamelt zich in de hoogste punten der geplooide aardlagen (anticlinalen).

De ruwe olie komt in een zandlaag voor, is deze afgesloten door een afsluitende laag b.v. door een kleilaag, zo is ze nog daarin aanwezig, anders is ze gemigreerd en door verdamping verdwenen, waarbij de door oxydatie ontstane asfalt achter is gebleven. Men treft dikwijls in een olieveld meer dan een laag met aardolie aan, oliehorizonten genaamd, gewoonlijk 1-3, soms 7 en meer, dit zijn echter uitzonderingen.

Men onderscheidt in Indië asfalthoudende en paraffinehoudende oliën. De Sumatra-olie bevat meer lichte koolwaterstoffen (benzine), behoort tot asfalthoudende oliën, de Java- en Borneo-oliën bevatten meer de zware koolwaterstoffen (lampolie en hogere fracties) en paraffine. Het Batoe Kras olieveld in Palembang gaf een lichtgeel gekleurde olie, welke grotendeels uit benzine bestond, terwijl de olie van het eiland Tarakan tot de zware soort behoort, welke direct geschikt is voor stookolie.

De olieterreinen in Indië treft men aan: op Atjeh, Langkat, Djambi, Palembang, Semarang, Rembang, Soerabaia en Madoera, alle aan de binnenzijde van de vulkaanreeks van Sumatra en Java; ook in Bantam en Cheribon komt olie voor in den ondergrond, maar in geringe hoeveelheden. Aan de buitenzijde dezer vulkaanreeks komt ook olie voor in de bodem, o.a. bij Kollok (Padangsche Bovenlanden) in Bengkoelen en in Banjoemas, maar deze terreinen zijn klein, dikwijls door breuken gestoord en derhalve van weinig betekenis. Verder worden olieterreinen gevonden aan de zuid en zuid- oostkust van Borneo tot Serawak toe (Koetei, Tarakan, Boenjoe), die vooral van Koetei, tot één van de rijkste oliestreken der wereld te rekenen zijn. De olie van al deze terreinen komt voor in de jongtertiaire formatie. Verder wordt olie aangetroffen op Boeton, Boeroe, Ceram en Timor. Op Timor werpen de oliegassen tevens modder uit, waardoor de z.g.n. modder vulkanen ontstaan, poto's door de bevolking genoemd. De olie van deze eilanden komt in oudere (Trias) lagen voor. Van deze eilanden is alleen Ceram productief. Terwijl op Boeton de olie in de mergel- en kalkstenen geoxideerd is tot asfalt, die als asfaltkalksteen gewonnen wordt. Op Nieuw-Guinea komt ook olie voor en vermoedelijk eveneens in jongtertiaire lagen.

Aardolie

Opsporen van aardolie.

De aanwezigheid van aardolie in de bodem verraadt zich aan het oppervlak door asfalt, olie-, zout- of gas- bronnen, waarvan het gas dikwijls brandbaar is. Indië heeft ook zijn eeuwig vuur gekend. In den Goenoeng Api in Koetei brandde een gasbron voortdurend. Evenals andere natuurlijke bronnen bestaat dit vuur niet meer, daar door onttrekking van olie en aardgassen het uitstromen van gas heeft opgehouden. Het opsporen van aardolie bestaat hierin dat men de anticlinalen of zadels in het terrein tracht op te zoeken, de bouw er van vaststelt om zoodoende de plaats aan te geven waar de boring de meeste kans van slagen heeft en waar de minste aardlagen te doorboren zijn. In de kruin der anticlinaal, het hoogste punt der plooi, ligt de oliehorizont het dichtst aan de oppervlakte. Toch kiest men bij voorkeur een plaats terzijde daarvan voor een eerste boring, daar de ervaring geleerd heeft dat gewoonlijk naast olie, oliegassen zich daar hebben verzameld. Men past bij de eerste boring de droge methode toe om van de doorboorde lagen goede monsters te krijgen. Het boorgat wordt van bekleedingsbuizen voorzien om het nastorten van de wanden tegen te gaan. Voor het boren naar olie wordt in Indië het Canadeesche droogboor- en het Canadeesch kabelsysteem toegepast, later heeft men ook het stampend boren met waterspoeling toegepast en omstreeks 1915 het Rotary boorsysteem, waarmede diepten tot meer dan 2000 m. bereikt kunnen worden. De ruwe olie wordt door middel van pijpleidingen van de boorterreinen naar de verwerkingsinstallaties (raffinaderijen) gepompt.

De aardolie industrie is van betrekkelijk jongen datum. Wel was de aardolie reeds in oude tijden bekend, maar in 1854 werd na onderzoekingen van Prof. Silliman in Amerika een inzicht verkregen in hare samenstelling, Hij verkreeg door destillatie en door behandeling van een deel deze producten met zwavelzuur een heldere vloeistof, welke voor verlichting te gebruiken was. In hoofdzaak wordt dit procédé in de petroleumraffinaderijen nog toegepast. Nadat in 1859 bij Titusville in Noord Amerika aardolie werd aangeboord, begon men zich in Indië ook voor dit natuurproduct te interesseeren. In 1866 namen enkele personen in Amsterdam het initiatief een maatschappij op te richten om petroleumbronnen te ontginnen. Door onbekendheid was men er huiverig voor, zoodat het benoodigde kapitaal (100.000 gld.) niet bijeengebracht kon worden.

De eerste boring naar aardolie met geldelijken steun van de Nederlandsche Handelmaatschappij werd verricht op een terrein bij Madja in Cheribon, de eerste boring gaf geen resultaat. Concessie werd verleend voor het terrein bij Madja in 1873, maar wegens ongunstige boorresultaten in 1880 aan het Gouvernement teruggegeven. De opkomst van voor een eerste boring, daar de ervaring geleerd heeft dat gewoonlijk naast olie, oliegassen zich daar hebben verzameld. Men past bij de eerste boring de droge methode toe om van de doorboorde lagen goede monsters te krijgen. Het boorgat wordt van bekledingsbuizen voorzien om het nastorten van de wanden tegen te gaan. Voor het boren naar olie wordt in Indië het Canadese droogboor- en het Canadees kabelsysteem toegepast, later heeft men ook het stampend boren met waterspoeling toegepast en omstreeks 1915 het Rotary boorsysteem, waarmede diepten tot meer dan 2000 m. bereikt kunnen worden. De ruwe olie wordt door middel van pijpleidingen van de boorterreinen naar de verwerkingsinstallaties (raffinaderijen) gepompt.

De aardolie industrie is van betrekkelijk jongen datum. Wel was de aardolie reeds in oude tijden bekend, maar in 1854 werd na onderzoekingen van Prof. Silliman in Amerika een inzicht verkregen in haar samenstelling, Hij verkreeg door destillatie en door behandeling van een deel deze producten met zwavelzuur een heldere vloeistof, welke voor verlichting te gebruiken was. In hoofdzaak wordt dit procedé in de petroleumraffinaderijen nog toegepast. Nadat in 1859 bij Titusville in Noord Amerika aardolie werd aangeboord, begon men zich in Indië ook voor dit natuurproduct te interesseren.

In 1866 namen enkele personen in Amsterdam het initiatief een maatschappij op te richten om petroleumbronnen te ontginnen. Door onbekendheid was men er huiverig voor, zodat het benodigde kapitaal (100.000 gld.) niet bijeengebracht kon worden. De eerste boring naar aardolie met geld steun van de Nederlandse Handelmaatschappij werd verricht op een terrein bij Madja in Cheribon, de eerste boring gaf geen resultaat. Concessie werd verleend voor het terrein bij Madja in 1873, maar wegens ongunstige boorresultaten in 1880 aan het Gouvernement teruggegeven.

De opkomst van de olie-industrie begint pas in 1888 met de oprichting van de Dortsche Petroleum Maatschappij door de mijningenieur A. Stoop. In 1889 werd hem concessie verleend voor een terrein bij Soerabaja (Concessie Djabakotta) en 3 jaar later voor het terrein De Twaalf Desa's en in 1896 voor Lidah Koelon. De ruwe olie werd verwerkt op de raffinaderij te Wonokromo, die in 1891 in bedrijf kwam. In 1889 werd door de Dortsche de eerste olie, in Indië gewonnen, op de markt gebracht. De eerste boring naar aardolie op Sumatra werd verricht bij Kollok in de Padangsche Bovenlanden. Deze boring leverde 6000 l. per dag, de olie was paraffinehoudend, waarmede men toen geen weg wist, het terrein werd verlaten.

In 1883 wist A. J. Zijlker concessie te verkrijgen van de Sultan van Langkat voor een terrein aan de Lepan rivier. Het Grondpeilwezen verrichtte in 1885 de eerste boring op dat terrein onder leiding van den mijningenieur R. Fennema; op 100 m. diepte werd olie aangeboord. In 1890 werd deze concessie ingebracht in de koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Exploitatie van Petroleumbronnen in Nederlandsch Indië (de „Koninklijke” bij afkorting). In 1891 werd een tweede put geboord. Een jaar nadat men met de exploitatie was begonnen, werd dagelijks 1300 kisten olie geproduceerd. De raffinaderij was te Pangkalan Brandan opgericht. Voor Borneo is de mijningenieur J. H. Menten de pionier der olie-industrie geweest. Hij kreeg in 1891 van den Sultan van Koetei de concessies Louise en Mathilde aan de Sangga Sangga rivier en richtte met Engels kapitaal de Nederlandsch Indische Industrie en Handel Maatschappij op waaruit later de Shell Trading Company is ontstaan.

Door deze gunstige resultaten ontstond in die jaren een ware oliekoorts: petroleummaatschappijen verrezen als paddenstoelen uit de grond. In Langkat werden nog de concessies Boeloe Telang en Boekit Tinggi verleend en geëxploiteerd met Engels kapitaal. In Palembang werkten: de Petroleum Mij. Sumatra-Palembang (Sumpal) in de afd. Iliran en Banjoe Asin, in 1898 begon deze maatschappij te raffineren: Petroleum Mij. Moeara Enim met concessieterreinen Ma. Enim in Midden Palembang en Babat in Noord Palembang. De ruwe olie werd door een 140 km. lange pijpleiding naar de raffinaderij te Pladjoe gepompt. De capaciteit van deze leiding bedroeg 600 ton ruwe olie per dag. Ook de olie van Babat werd per pijpleiding naar Pladjoe gevoerd, Petrol. Mij. Moesi Ilir met eigen raffinaderij te Bagoes Koening naast Pladjoe. Op Java: Petrol. Mij. Rembang opgericht in 1895, werkende in de afd. Blora; in 1899 de Petrol. maatschappijen: Japara, Tegal, Madoera. Op Borneo Petrol. Mij. Balongan, werkende in de afd. Amoetai in Z.O. Borneo. In 1907 verenigden de Shell en de Koninklijke zich tot één maatschappij: de „Bataafsche Petroleum Mij.”, waarin in 1911 de Dortsche werd opgenomen. Al de kleine maatschappijen hadden voordien hun terreinen in exploitatie overgedragen aan de Koninklijke.

In 1912 werd de Nederlandsche Koloniale Petroleum Mij. opgericht en daarmede verscheen Amerikaansche Kapitaal in Indië. Deze maatschappij is nl. een dochtermaatschappij van de Amerikaansche Standard Oil Company. De olie haar terreinen op Java wordt verwerkt in haar raffinaderij te Kapoean bij Tjepoe (Rembang). In 1926 richtte zij te Soengei Gerong even benedenstrooms Pladjoe een raffinaderij op, waar de olie van haar boorterreinen bij Talang Akar in Midden Palembang wordt verwerkt.

Olieraffinaderijen werden opgericht door de Koninklijke te Pangkalan Brandan, door de Langkat Oil Cy, te Rantau Pandjang, door de Sumpal te Bajoeng Lintjir, door de Ma. Enim te Pladjoe, door de Moesi Ilir te Bagoes Koening, door de Dortsche te Wonokromo, Tjepoe en Semarang, door de Shell te Balik Papan en door de Koloniale te Kapoean op Java en te Soengei Gerong in Palembang. Voor de olievelden van Djambi, welke van 1906 tot 1914 door het Gouvernement werden onderzocht, werd in 1921 door het Nederl.-Indische Gouvernement met de Bataafsche de Nederlandsch Indische Aardolie Mij. (N.I.A.M.) opgericht. Tegenwoordig worden de olievelden aan de Aroe baai (Oostkust van Sumatra) en die op het eiland Boenjoe bij Tarakan (Tidoengsche Landen) eveneens door deze gemengde Maatschappij geëxploiteerd. De Djambi olie wordt met een pijpleiding van 300 km. naar Pladjoe gevoerd. De olie van de Aroebaai terreinen in de raffinaderij te Pangkalan Brandan: het Boenjoe-terrein is in 1929 in onderzoek genomen, de eerste boring bereikte tegen het einde van het jaar een oliehorizont, welke 180 m3. olie per etmaal leverde.

Verwerking van olie.

In de raffinaderijen wordt de olie in cilindervormige ketels „stills” genaamd, verwarmd. Allereerst gaan de vluchtigste bestanddelen, de benzinefracties over, daarna de lampoliefracties en tenslotte de hoogste fracties die de Solarolie leveren. Het overblijvende is het residu, dat bij asfalthoudende oliën als stookolie wordt verkocht of tot asfalt verwerkt. Het residu van paraffineolie wordt op paraffine en smeerolie verwerkt. De benzine is tegenwoordig het meest waardevolle bestanddeel der ruwe olie: vóór de opkomst der kleine verbrandingsmotoren (auto’s) was de benzine een lastig bijproduct bij de bereiding van lampolie (kerosine). Dit product werd ver van de bewoonde wereld geleid en daar vernietigd door het te verbranden. Een dergelijke rookzuil op Noord Sumatra was mijlen ver zichtbaar en voor den zeeman een baken.  

Producten:

De lichtste fracties leveren de benzine voor motoren, de aller-lichtste soort uit aardgassen gewonnen, die op het boorterrein door compressoren verdicht worden en in de pijpleiding naar de raffinaderij geleid, voor vliegtuigmotoren; de zware soort benzine, terpeen of turpine, dient als surrogaat voor terpentijn in de verfindustrie. De zware aromatische fracties worden naar Europa verzonden, waaruit een sterk explosieve stof, trinitrotoluol, wordt vervaardigd. De fracties tot 150° °C. leveren de benzinesoorten met sg. 0,73; die van 150°-300° C. de kerosine (lampolie) met sg. 0.840; boven de 300° C. de stook- en smeeroliën. De paraffine uit het paraffinehoudende residu wordt door uitvriezen gewonnen en verder verwerkt tot kaarsen, batikwas en isolatiemateriaal. De verwerking der ruwe olie geschiedt nu in de raffinaderijen van de Bataafsche te Pangkalan Brandan (Oostkust van Sumatra), Pladjoe (Palembang), Tjepoe (Rembang), Wonokromo (Soerabaia) en te Ba-
lik Papan (Z. en O. Afdeeling van Borneo) en in die van de „Koloniale” te Soengei Gerong (Palembang) en Kapoean (Java). -

De productie aan aardolie in de jaren 1928 t/m 1931 bedroeg resp. 4.307.716 - 5.238.543 - 5.531.482 - en 4.698.050 en aan aardgas in dezelfde jaren resp. 479.503 - 538.335 - 540.241 en 682.464 ton van 1000 kg. In bovengenoemde raffinaderijen werd in 1931 in totaal verwerkt 3.730.610 ton van 1000 kg. ruwe olie, waaruit verkregen werd aan: benzine 1.410.751, kerosine 649.711, residu olie 26.809, Paraffine 52.676, en asfalt 8.934 ton. Indië produceert ongeveer 2.5% van de wereldproductie aan olie, in 1930 ongeveer 2.9 %


Creatie datum: 16/11/2016 11:27
Categorie: - A
Pagina gelezen 739 keren


Reacties op dit artikel

Er heeft nog niemand gereageerd.

Nieuws van den dag uit het voormalig Nederlandsch-Indië