Zoek
 
Sluiten
INDISCHE ENCYCLOPEDIE
Indopedia
INDOPEDIA
De Indische Encyclopedie
 

Index encyclopedie

Recepten, Gerechten

Djamu (Jamu) - medicinale kruiden , planten en vruchten. Ziekten & Kwalen

Indische Boekrecensies

Verhalen

Bladmuziek Krontjong

Bezoekers vanaf jun. '09

 17960160 Bezoekers

 40 Bezoekers online

rss Deze artikelen zijn ook met een RSS reader te lezen. :
https://www.indopedia.nl/data/nl-articles.xml

Atjeh.
Het gouvernement Atjeh en onderhorigheden telt ruim één millioen zielen (hoofdplaats Koetaradja) en is verdeeld in zes afdelingen:

  1. Groot-Atjeh;
  2. Pidié;
  3. Noordkust van Atjeh;
  4. Oostkust van Atjeh;
  5. Gajo- en Alaslanden;
  6. Westkust van Atjeh, elk onder een assistent-resident).

 
Zie voor de afdelingen op dezelfde namen.

Koetaradja is door een tramlijn verbonden met de spoorlijn aan de oostkust van Sumatra.

De voornaamste uitvoerproducten zijn: zwarte peper, pinangnoten, rubber, kopra, damar, rottan, kapok, rijstcultuur; bevloeiing wordt van gouvernernentswege verbeterd.
In 1907 werd te Langsa-Soengei op initiatief van gouv.-gen. Van Heutsz een gouvernements rubber onderneming geopend, weldra gevolgd door tal van particuliere ondernemingen.
Onze eerste aanraking met Atjeh dateert van 1587 door een Zeeuws eskader onder Cornelis Houtman, die daarbij sneuvelde.
Zijn broer Frederik werd gevangen genomen.
Na verdere, weinig fortuinlijke pogingen werd in 1601 aan Le Roy en Bicker, bevelhebbers van een
Zeeuws eskader toegestaan er een factorij te vestigen.
Frederik Houtman werd uitgeleverd en zelfs werd een Atjehs gezantschap naar Prins Maurits ge-
zonden.
In de eerste decennia van de 17e eeuw en ook later breidde Atjeh zijn gezag erg uit, o.a. van de Westkust van Sumatra, waar ook de O. I. C. factorijen vestigde.
Toen na het Engelse tussenbestuur de Nederlandse bezittingen volgens de Londense conventie  1814) moesten worden teruggegeven, werd de uitvoer hiervan door Raffles zodanig tegengewerkt dat het tot 1824 (Londens traktaat) duurde eer Engeland afzag van alle aanspraken op Sumatra. Intussen had Engeland in 1819 met Atjeh een handelsovereenkomst gesloten, die echter door het Londens traktaat van 1824 teniet werd gedaan.
Van Nederlandse zijde werd echter zeer ondoordacht  erkend dat geen staatkundig oppergezag werd beoogd, terwijl ten aanzien van Atjeh werd beloofd dat het niets van zijn onafhankelijkheid
zou inboeten, en handel en scheepvaart de meest mogelijke veiligheid werd gewaarborgd.
En dat terwijl zeeroof enz. door Atjehers aan de orde van de dag waren.
Onze handel en de vestiging van ons gezag op Sumatra’s Westkust werden door de Atjehers op allerlei wijzen belemmerd en tegengewerkt; ook de zeeroof bleef bestendigd.

Ook elders op Sumatra werd ons gezag door Atjeh gewelddadig bestreden.
Zo bleef het tot 1870, toen van Engelse zijde op krachtige maatregelen tegen Atjeh werd aangedrongen.
In 1871 werd met Engeland wederom een traktaat gesloten waarbij Nederland werd ont-
slagen van de belofte van garantie van Atjehs onafhankelijkheid.
Atjeh zocht intussen steun bij verschillende buitenlandse mogendheden (Turkije, Frankrijk, Italië enz.).
Toen werd eindelijk ingegrepen.
De vicepresident van de raad van Ned.-Indië J. F. N. Nieuwenhuijzen ging als regeringscommissaris naar Atjeh, gevolgd door een troepenmacht onder generaal-majoor G. M. Kohler (1873).
Toen geen voldoening werd gekregen, werd 26 maart van dat jaar de oorlog verklaard.
Tal van expedities hadden plaats, die gepaard gingen met volharding en daden van veel moed
van weerszijden en met talloze mensenoffers.
Generaal Kohler sneuvelde.
De volgende expeditie, 6000 man sterk, stond onder luitenant-generaal J. van Swieten en
generaal-majoor Verspyck.
Groot-Atjeh werd gouvernementsgebied en generaal Van Swieten de eerste bestuurder.
Hij werd opgevolgd door kolonel (later generaal) J. L. J. H. Pel als civiel- en militair gezaghebber.
Zijn opvolgers waren de generaals G. B. F. Wiggers van Kerchem en A. J. E. Diemont.
Gouv.-gen. Van Lansberge bezocht in 1877 persoonlijk Atjeh.
De destijds door de Nederlanders bij de gevechten vernielde moskee werd op gouvernementskosten herbouwd.
Het duurde echter tientallen jaren voordat de Atjehers deze door ,,ongelovigen" (,,kafirs”) gebouwde
moskee wilden gebruiken.
Na een periode van inzinking werd in 1878 de bekende generaal Karel van der Heijden gouverneur van Atjeh en onderhorigheden, tevens militair bevelhebber, onder wie – nadat het verzet was gebroken - een periode van rust intrad.
Van der Heijden werd in 1881 opgevolgd door de eerste civiele gouverneur Pruijs van der Hoeven, die werd opgevolgd door gouverneur P.F.Laging Tobias (1883)

Daarna werd weer een militair bestuur ingesteld onder kolonel Demmeni.
Men trok zich terug binnen de geconcentreerde linie, waardoor de opstand weer oplaaide.
Onder zijn opvolger generaal Van Teijn werd de periode van lijdelijkheid bestendigd.
Onder diens opvolger kolonel C. Deykerhoff, bijgestaan door resident G. A. Scherer werd de scheepvaartregeling ingevoerd, waardoor de in- en uitvoer onder gouvernementscontrole werd ge-
bracht.
In 1891 en 1892 had een politiek-religieuze verkenning plaats door Dr. C. Snouck Hungronje (in
1893 verscheen zijn bekend werk ,,De Atjehers”).
Diens advies werd niet opgevolgd vanwege de financiële consequenties verbonden aan een actieve politiek.
Pas onder gouv.-gen. Van der Wijck werd, door de opstand van Toekoe Oema, de politiek van lijdelijkheid verlaten.
Generaal Vetter kwam er als regeringscommissaris om de in verzet gekomen hoofden te straffen.
Ook werd de intussen ingezette actieve politiek verder uitgebreid.
De 3 sagi’s (sagi : zijde) van Groot-Atjeh werden beheerst door uitgezette steunpunten, welke
door een stoomtram met de geconcentreerde linie werden verbonden (1897).
Dit bracht echter niet het gewenste succes.
Dr. Snouck Hungronje werd adviseur voor Inlandse zaken in Atjeh (1898- 1908); in hetzelfde jaar werd kolonel J. B. van Heutsz, die in Atjeh zijn sporen reeds had verdiend met het civiel- en militair bestuur belast.
Hiermee was een nieuw tijdperk ingeluid.
Overal werd actief opgetreden en de vijandelijke elementen werd geen rust gelaten.
Toekoe Oema sneuvelde in 1908.
Bevolkingsregistratie, passenstelsel, verbod van dragen van wapenen, van ladangbouw, van verblijf in de bergen werden ingevoerd, het verlenen van huisvesting en hulp aan kwaadwilligen, het vernielen van openbare werken, enz. werd beboet.
Hierdoor verbeterden de toestanden zozeer dat op last van het bestuur door de bevolking wegen
en bruggen werden gebouwd en een telefoonverbinding met Sigli werd aangelegd.

Rustig in het gehele gewest was het echter nog lang niet; ononderbroken werd tegen de
verzetslieden geageerd en met groot succes.
Tussen Padang Tidji en Sigli werd een tramverbinding gemaakt (1899).
Een wegverbinding van West tot Oost, alsmede een weg langs de Oostkust werden tot stand gebracht.
Van Heutsz zelf maakte de excursie langs Noord- en Oostkust, op die tocht onderwerping en medewerking afdwingend.
Begin 1900 waren vrijwel alle landschapshoofden onderworpen.
Juni 1899 kreeg Tapak Toean een civiel gezaghebber, de luit. H. Colijn, tevens commandant van het detachement aldaar.
De staatkundige verhouding tot de hoofden, tot dusver beheerst door de ,,verklaring" van 18 artikelen werd opnieuw geregeld door de z.g. ,,korte verklaring" van 3 artikelen (die later als voorbeeld diende voor aldus in de archipel gesloten politieke contracten).
Vermeld dient nog de tocht van majoor Van Daalen naar het Gajoland ter opsporing van de nog steeds in verzet zijnde, overal opgejaagde Soeltan Alaoedin Moehammad Dawot Sjah.
Eerst in 1903 meldde hij zich vrijwillig te Sigli op genade of ongenade.
Daarmee was het verzet echter nog niet gebroken.
In hetzelfde jaar meldde zich de machtige
Panglima Polem, na de achtervolgingen van Christoffel en Colijn.
Hun voorbeeld werd door tal van andere hoofden gevolgd.
Zodoende was de toestand in 1904 zeer bevredigend.
Aan de verlenging van de tramlijn (tot de Oostkust van Sumatra) werd voortdurend ge-
werkt.
Onder Van Heutsz’ opvolger gen.-maj. Jhr. J. C. van der Wijck werd de toestand weer veel slechter. Pas onder diens opvolger overste G. C. E. van Daalen (1905-1908) klaarde de toestand zeer geleidelijk op.
De ex-Soeltan werd verbannen.
De inmiddels als gouv.-gen. opgetreden gen. Van Heutsz bezocht eind 1907 persoonlijk het gewest.

Onder Van Daalen en diens opvolger gen. H. N. A. Swart werd veel aandacht besteed aan en gedaan voor de economische en hygiënische toestand.
De 5 afdelingen werden alle door civiele assistent-residenten bestuurd en ook het onderafd. bestuur werd zoveel mogelijk op civiele leest geschoeid.
De gunstige toestand werd bestendigd onder de opeenvolgende civiele gouverneurs.
Atjeh zal het eerste decennium nog wel een uit politiek oogpunt lastig gewest blijven door de fanatieke aard van de Atjehers en door de haat tegen de ongelovigen, gevoed door de langdurige oorlog.
Dit kan slechts slijten door de tijd en door toename van welvaart en ontwikkeling, waaraan het gouvernement krachtig meewerkt.
In het gouvernementsgebied wordt het Inlands bestuur uitgeoefend in de afd. Groot-Atjeh en in de VII Moekims Pidié (onderafd. Padangtidji, afd. Pidié) door panglima’s sagi, zelfstandige en ondergeschikte oeléé- balangs en zelfstandige en op zichzelf staande moekimhoofden, in de
onderafdeling Singkil door districts- en onderdistrictshoofden.
Verder zijn nog een tiental onderafdelingshoofdplaatsen onder rechtstreeks bestuurd gebied ge-
bracht.
Het overige gebied van Atjeh bestaat uit zelfbesturende landschappen, onder oeléebalangs.
De taal is het Atjehs.


Creatie datum: 05/04/2017 12:21
Categorie: - A
Pagina gelezen 585 keren


Reacties op dit artikel

Er heeft nog niemand gereageerd.

Nieuws van den dag uit het voormalig Nederlandsch-Indië