Zoek
 
Sluiten
INDISCHE ENCYCLOPEDIE
Indopedia
INDOPEDIA
De Indische Encyclopedie
 

Index encyclopedie

Tel. / adres boeken

Recepten, Gerechten

Djamu (Jamu) - medicinale kruiden , planten en vruchten. Ziekten & Kwalen

Indische Boekrecensies

Verhalen

Bladmuziek Krontjong

Bezoekers vanaf jun. '09

 18153624 Bezoekers

 14 Bezoekers online

rss Deze artikelen zijn ook met een RSS reader te lezen. :
https://www.indopedia.nl/data/nl-articles.xml

Geologie 2

Ook deze Boven Trias vertoont veel overeenkomst met die van de Himalaya en met de Hallstädter facies van de Alpen.
Op enkele naburige eilanden is deze boventrias facies aangetoond.
Door deze overeenstemming wordt aangenomen dat er ten tijde van het Boven Trias een open oceaanverbinding bestond van af Zuid-Europa tot de Indische Archipel (De Tethys zee van de oudere geologen).
In het overige deel van Indië is meer de Flysch-facies ontwikkeld: zandstenen met glimmerblaadjes wisselen af met donkere kleischalies en mergels, een formatie, die in een ondiepe zee is afgezet.
In het oostelijk deel is Boven Trias rijk aan bitumineuze lagen, asfalt op Boeton, petroleum op Boeton, Ceram en Timor.
Verder stromen intermitterend brandbare gassen uit de bodem, waarbij stik en modder uitgeworpen worden en zodoende moddervulkanen doen ontstaan.
Een enkele van deze vulkanen bereikt een hoogte van 100 m.
In het westelijk deel van de Archipel komen deze moddervulkanen niet voor; gelijksoortige lagen aldaar bevatten koollaagjes en plantenafdrukken.
Tussen de beide voorgaande facies staan de fatoekalken, aldus benoemd naar de hoge grillige kasteelachtige fatoe’s van Timor.
Vermoedelijk zijn deze fatoekalken in hoofdzaak opgebouwd door koralen.
De Trias formatie is gevonden op Rendjoewoe, Savoe, Roti, Leti, Moa, Babber, Tenimber eilanden, Gorong, Ceram, Ambon, Boeroe, Boeton, Celebes, Misool, West-Borneo, Riouw-Lingga, Sumatra in de bovenloop van de Koeala en bij Prapat aan de oostoever van het Tobameer, Padangsche Bovenlanden aan het Singkarak meer, bij Tandjoeng Hantoe in Djambi, in het Rawas en in het Goemaigebergte (Palembang).
Jura: Juragesteenten werden door Wichmann het eerst op Roti gevonden als uitwerpsel van een vulkaan; Verbeek ontving daarna van de Posthouder Jura fossielen (Belemnieten en Ammonieten) van Taliabo en Mangoli, waarover Rumphius reeds schreef.

De eerste vaste Juraformatie, waarin Brachiopoden, Ammonieten en Belemnieten zijn aangetroffen, werd op Misool door de Siboga expeditie in 1899 gevonden.
(De Siboga Expeditie onder Prof. Max Weber van 7 maart 1899-27 februari 1900, bereisde het oostelijk deel van de Indische Archipel en had tot doel de diepzee fauna te bestuderen).
De Juragesteenten bestaan uit kalksteen, mergel en kleistenen, waarin Ammonieten en Belemnieten voorkomen.
De Jura is in de Molukken volledig ontwikkeld; men heeft niet alleen de Onder-, Midden- en Boven Jura kunnen onderscheiden, maar zelfs de onder- afdelingen.
Dit is mogelijk doordat de fossiele fauna veel overeenkomst heeft met de Europese Jura-versteningen.
Hieruit blijkt dat in de Jura nog steeds de openzeeverbinding met Europa bestond.
De westelijke helft van de Archipel moet land geweest zijn, want daar bestaat de Jura hoofdzakelijk uit zandstenen, mergels en kleistenen, breccieuse glansschalies en ondiepe zee-afzettingen.
In het merengebied (danau’s) van centraal- en oost-Borneo komt een formatie voor, Danauformatie genoemd, die in diepzee is gevormd, want daarin werden hoornstenen en jaspissen gevonden waarin kiezelpantsers van radiolariën.
In het oostelijk deel bestaat de Jura uit meer kalkrijke lagen, kleihoudende zandige lagen en tuffen.
Jura is gevonden op Sumatra aan de Sei, Temalang (Djambi) tussen Palembajan en Alahan Pandjang in de Padangsche Bovenlanden en in het Centraalgebergte van de Gajoelanden.
Op Borneo: de Danauformatie, 100 m. dik van west- naar oost-Borneo uitstrekkend over een lengte van 650 km., en een breedte van 60 km. en voorts in z.o. Borneo, op Celebes aan de z.o. arm en Boeton, op Soemba, Roti, Timor, Babber, Tenimber eilanden, Ceram, Boeroe, Soelaeilanden, Obi, Misool, en op Nieuw-Guinee: aan de Itebere rivier in het binnenland van de Vogelkop, in het achterland van Fak-Fak, aan de kust van de Geelvinckbaai en het Wiwi gebergte, als rolstenen op de rolsteenbanken in de Boven Sepik en aan de zuidhelling van het Sneeuwgebergte.

Krijt: Van dit tijdvak heeft men voor Indië nog geen voldoende inzicht gekregen, vermoedelijk is dat een gevolg hiervan, dat meer land boven water verrees en daardoor minder sedimenten zijn afgezet. De gevonden sedimenten uit dit tijdvak stammend zijn dichte kalkstenen, mergelkalken en mergelschalies, waarin veel foraminiferen, globigerinen, hoornsteen bevattende kalken en bitumineuze kalkstenen.
Tuffen zijn ook aanwezig en op Borneo en zuid-Sumatra aangetroffen.
In bovenkrijtlagen werden fijnkorrelige en fijngelaagde porphyrtuffen gevonden, die afwisselen met grauwacken en concordant gelegen porphyriet en diabaas.
(Tufafzettingen zijn aanwijzingen op vulkanische erupties).
Onder-Krijt is slechts op enkele plaatsen gevonden.
Op de Soela eilanden en Nieuw-Guinee rust Onder-Krijt direct op Boven-Jura en in Djambi schijnt Onder- en Boven-Krijt ononderbroken voor te komen.
In dit tijdvak vernemen we pas wat van Java, in het Lo Oelo terrein en in het Djiwo gebergte worden orbitilinen in kalksteen aangetroffen.
De fauna van de Soela eilanden vertoont veel overeenkomst met de krijtfauna van de Himalaya.
De fossielen van Sumatra komen meer overeen met die van Zuid-Frankrijk.
Er is dus nog een oceanische verbinding met Europa en met de Himalaya, die waarschijnlijk door een uitgestrekt en langgerekt land van elkaar gescheiden zijn, daar de fossiele fauna’s van beide zeeën van elkaar verschillen.
Dit land strekte zich waarschijnlijk tot Australië uit en vormde een verbinding met Azië.
Na het Krijt is deze landverbinding verbroken en sindsdien verbroken gebleven, zodat in Australië van af die tijd een eigen flora en fauna is ontwikkeld, welke sterk afwijkt van die van de andere vaste landen.

In het allerbovenste Krijt schijnen enkele zeeën opgevuld te raken of er heeft een terugtrekkende zee (transgressie) plaatsgehad.
Strand-, brakwater- en zoetwatervormingen konden zodoende ontstaan, welke in de westelijke Afd. van Borneo en in z.o. Borneo gevonden zijn.
De Krijt afzettingen van Timor bestaan uit rode kleien met mangaanhoudende knollen, waarin radiolariën, vistanden en viswervels voorkomen.
Deze rode kleien met organische resten worden voor diepzeeafzettingen gehouden, want verschillende diepzee-expedities brachten van 4000 m. diepte gelijksoortige rode kleien boven. Daarin werden slechts kiezelpantsers en geen kalkschalen van weekdieren meer aangetroffen, daar het koolzuur uit het zeewater de kalk van die schalen heeft opgelost.
De anorganische stof in rode kleien wordt verondersteld afkomstig te zijn van fijne vulkanische assen, die in hogere luchtlagen zijn meegevoerd en in open oceaan zijn bezonken en ook van meteoorstof afkomstig van meteoren, die in de atmosfeer verbranden.
Krijtafzettingen zijn gevonden op Sumatra: in Djambi bij Poboengo, Batoe Kapoer en Sei, Toeo (Korintji), Ratoebaai (Lampongs), op Borneo bij Bana aan de Landak rivier in west-Borneo, Silat rivier in Centraal Borneo, in het Meratoes- en Bobarisgebergte in z.o. Borneo: op Java: Lo Oelo-terrein en Djiwogebergte; op de oosterarm van Celebes en Boeton, op Boeroe, Ceram, Soela eilanden, Obi, Misool, Halmaheira, Roti, Timor, Letti, Tenimber eilanden en Nieuw-Guinee.
Caenozoicum: Dit hoofdtijdvak waartoe het Tertiair en het Kwartiair behoren is voor Indië van groot economisch belang, niet alleen doordat de bovengrond van Indië voor meer dan 70% daaruit is opgebouwd, maar ook doordat bitumen, koollagen, tin- en goudertsen daarin voorkomen.
Door deze waardevolle delfstoffen zijn de streken welke uit het tertiair zijn opgebouwd het best onderzocht.
Verder is het Caenozoїcum een tijdperk van verhoogd vulkanisme, dat met de geweldige plooiingen de jong tertiaire goud- en zilverertsgangen van Sumatra ’s westkust, Benkoelen, Zuid-Bantam, West-Preanger en Noord-Celebes heeft doen ontstaan.

Tertiaire en kwartaire afzettingen komen op alle eilanden voor, op Noord-Sumatra bereiken de tertiaire lagen soms een dikte van 8 a 10 km.
Men kent continentale afzettingen met koollagen van de meeste eilanden, marine vormingen en op enkele eilanden brakwatervormingen.
Daarentegen zijn diepzeevormingen niet aangetroffen.
De marinevormingen zijn in ondiepe zeeën afgezet.
Ze bereiken in Sumatra en Oost-Borneo diepzeeafmetingen, doordat ze in een geosynclinaalbekken zijn afgezet, dat in voortdurende langzame daling verkeerde, maar ondertussen opgevuld werd.
De opvulling hield gelijke tred met de daling.
De continentale vormingen bestaan uit conglomeraten, zand- en kleigesteenten, waarin koollagen, waarop dikwijls omgevallen verkiezelde boomstammen voorkomen.
Op Java bevatten deze vormen resten van zoogdieren.
Brakwatervormingen heeft men alleen in het Melawi-gebied in West-Borneo als oudste vormingen van het tertiair aangetroffen, n.l. zandstenen met een fossiele fauna, die in brakwater leefde.
Bijna al het materiaal van de jong tertiaire vormingen is van vulkanische oorsprong, dat ten dele submarine is afgezet.
Het overige materiaal is geleverd door de erosie van reeds bestaande landmassieven.
Al het tufmateriaal wijst er op dat vooral in het jongtertiair het vulkanisme een zeer verhoogde werking vertoonde, waarvan het hedendaagse nog een voortzetting is.
In deze gebieden moeten ook geweldige bergvormende krachten gewerkt hebben, want op Noord-Sumatra vindt men in het bergland op 3000 m., op Java 1300 m. boven zee en op Nieuw-Guinee op de hoogste toppen van het Sneeuwgebergte tertiaire sedimenten met fossielen.

In het midden-tertiaire tijdvak moet het westelijk deel van Indië uit een groot landmassief bestaan hebben, het z.g. neogene Soendaland, dat zich over Malakka tot in midden Borneo uitstrekte en dat als een schiereiland met het Aziatisch continent verbonden was.
De tegenwoordige Javazee en een deel van de Chinese zee maakten ook deel uit van dat chiereiland. De tertiaire zee strekte zich om dit land uit van noord-Sumatra, over midden- en zuid-Sumatra, over de noordkust van het tegenwoordige Java, naar de zuid- en zuidwestkust van Borneo tot in Serawak toe.
Het Barisangebergte bestond nog niet, maar stak ter plaatse als eilanden boven water uit, op dezelfde wijze als heden ten dage de randeilanden ten westen van Sumatra.
Uit de bezonken afzettingen valt af te leiden dat de tussenliggende zee niet diep was en dat zij een geosynclinaal gebied innam, dat in voortdurende daling was.
De erosieproducten van dit Soendaland werden daarin afgezet.
Tegen het einde van het tertiair werd dit zeegebied door gebergtevormende krachten opgeheven en werd land.
De fauna en flora hebben reeds een tropisch karakter.
De onderverdeling van het Indische tertiair was zeer moeilijk, doordat de faunistische fossielen niet konden worden vergeleken met Europese van dezelfde ouderdom.
Prof. K. Martin uit Leiden heeft zich bezig gehouden met de bestudering ervan en die studie tot zijn levenswerk gemaakt.
Hij koos van die studie de fossielen van de  gastropoden (slakken) uit en ging uit van de volgende twee veronderstellingen die later juist bleken te zijn.


1e. Gedurende het tertiair ontwikkelde zich in Indië een autochtone fauna, d.i. een fauna, die ter plaatse geleefd heeft.
Er wordt aangenomen, dat aan het einde van het eoceen geen open zeeverbinding meer bestond met het Middellands zeegebied; het Indisch gedeelte van de Tethyszee was afgesnoerd.

2e. De onderverdeling kan alleen verkregen worden door vergelijking met de nog levende fauna van Indië en met die van Europa uit hetzelfde tijdperk.
De ouderdom van de laag wordt dan bepaald door het procentengetal van de nog levende gastropoden, (methode van de procenten).
Komen in een laag geen fossiele gastropoden voor, die thans nog leven, dan behoort de laag tot het oudste tertiair: het eoceen.
Komen er 80% uitgestorven vormen in voor dan is de laag oligoceen; bij een gehalte 70-40% uitgestorven soorten wordt de laag tot het jong tertiair (mioceen of plioceen) gerekend.
Tot kwartaire vormingen worden gerekend de afzettingen met meer dan 60% levende soorten. Zodoende is de ouderdomsbepaling van de lagen vergemakkelijkt en kunnen grenzen van eoceen, oligoceen en mioceen paleontologisch goed bepaald worden; die tussen mioceen en plioceen
en tussen plioceen en kwartair zijn nog moeilijk.
 Niet altijd is men zo gelukkig in het veld fossiele gastropoden te vinden, dit heeft er toe geleid dat jongere geologen een lagere diersoort, die in de Tropen veelvuldig voorkomt, als uitgangspunt kozen voor de ouderdomsbepaling.
v. d. Vlerk en Umbgrove hebben daarvoor de grotere foraminiferen (Cycloclypens, Camerina, Lepidocyclina) bestudeerd.
De onderverdeling van het tertiair wordt alfabetisch aangegeven.
Volgens deze methode zijn ook goede resultaten bereikt, grenzen tussen eoceen, oligoceen en mioceen zijn goed te trekken, die tussen mioceen en plioceen echter moeilijk en nog moeilijker tussenmarine pliocene en kwartaire afzettingen, maar daarvoor verkeert deze methode nog in haar ontwikkelingsstadium.
Een derde methode om de ouderdom van de tertiaire lagen te bepalen is gebaseerd op het watergehalte van bruinkolen, welke toegepast wordt, indien in een gebied geen fossielen worden gevonden.

Deze methode is door de mijningenieur J. A. Hooze uitgewerkt, die de moeilijkheden ondervonden had bij zijn geologische opnamen in zuid- en oost-Borneo toen nog geen goede indeling voor Indië van het tertiair bekend was.
In het tertiair komen zeer veel koollagen voor, zowel in het oudste als in het jong tertiair worden ze aangetroffen en vooral in het middentertiair is de koolformatie goed ontwikkeld.
Hooze ging uit van de gedachte dat het watergehalte van de normaal gevormde kolen met de ouderdom afneemt.
Het bleek hem dat de pliocene en jongere kolen meer dan 25, jongmiocene 15-22, oudmiocene 9-15 en eocene kolen 2-7 % water bevatten.
Met de toename van de kennis van het tertiair bleek dat in het algemeen de indeling naar het watergehalte bruikbaar is en tamelijk goed overeenkomt met de paleontologische.
De beide eerste methoden zijn gebaseerd op het uitsterven van bepaalde diersoorten, behoeven elkaar dan ook niet geheel te dekken, daar het uitsterven diersoorten niet gelijktijdig plaats behoeft te grijpen.
De derde methode berust op een fysische eigenschap, is regelmatiger en zal daarom in het algemeen niet met de voorgaande indeling overeenkomen, toch krijgt men daarmee een inzicht in de ouderdom van de lagen.
Eoceen: Op de grote eilanden bestaat deze onderste afdeling van het tertiair uit sloopproducten van massieven uit een voorgaand tijdperk.
De resistente bestanddelen als kwartsen van kwartsgangen en kwartsen uit granieten van dit tijdperk, hebben de eoceenlagen opgebouwd.
Aan de basis komen kwartsconglomeraten en kwartszandstenen voor, die naar boven toe overgaan in kleistenen.
De grove aard van de conglomeraten wijst er op dat het materiaal niet ver getransporteerd is en dat ze aan mondingen van rivieren of vlak aan de kust zijn afgezet.
Zand, klei en grind wisselen elkaar af en bereiken een grote dikte, wat alleen verklaard kan worden, door aan te nemen, dat het land daalde.

De zee kon echter door de geregelde aanvoer van sloopproducten niet ver het land binnendringen.

De bovenste niveaus vertonen een marine karakter, het materiaal is fijner, waartussen kalksteenbanken optreden, dit wijst er op dat de zee in het jongere eoceen het land binnen is gedrongen.
De onderste etages, de zandsteen-etage van het eoceen bevat goede koollagen, het Ombilin kolenveld behoort hiertoe.
Verder komt dezelfde etage met steenkolen voor op Sumatra aan de baai van Tapanoeli, op Java en het Bajah-kolenveld in zuid-Bantam, op Borneo in de middenloop van de Barito.
In de Padangse Bovenlanden zijn oudere eoceen-dunplatige leien met visresten gevonden.
Op Java werd bij Nanggoelan een rijke molluskenfauna aangetroffen, die veel verwantschap vertoont met het eoceen van Europa.
In centraal Borneo worden in het Melawigebied brakwatervormingen aangetroffen, in het bovenkrijt was hier reeds een binnenzee ontwikkeld, die in het onder-eoceen nog bestond.
In het oostelijk deel van de Archipel is het eoceen marine ontwikkeld, de zandsteenetage met kolen ontbreekt in de Molukken, vermoedelijk treedt zij op Nieuw-Guinee weer op.
Het grootste deel der eoceen-formatie in dat gebied bestaat uit mergels en kalksteen met hoornsteenknollen en hoornsteenbanden.
Gidsfossielen van het eoceen zijn: nummulieten, orthofragminen, en alveolinen.
Oligoceen: Met het eoceen vormt het oligoceen samen het oud-tertiar of paleogeen.
Tussen eoceen en mioceen werd een kalkgesteente gevonden, waarin mummulieten en lepidocyclienen voorkomen.
De formatie is niet dik ontwikkeld en komt slechts sporadisch voor.
Ze is op Java, Borneo, Soemba en de Bonggai archipel aangetroffen.
Deze formatie wordt tot het oligoceen gerekend.

Mioceen en plioceen: Samen het jongtertiair of neogeen vormend.
Sedert de aanvang van dit tijdvak bestaat geen openzeeverbinding meer met Europa.
De Indische zeefauna heeft zich verder zelfstandig ontwikkeld, zodat geen verwantschap meer is te bespeuren met de jong-tertiaire fauna van Europa.
Beide formaties, mioceen en plioceen lijken veel op elkaar, zowel wat gesteenten als wat fossielen betreft.
De indeling op petrografische grondslag van Verbeek en Fennema in hun werk:
"Geologische beschrijving van Java en Madoera” Amsterdam 1896, het standaardwerk voor de Indische geologie, is thans verouderd en kan door de jongste geologische onderzoekingen niet meer gehandhaafd worden.
Ook het trekken van een parallel van het Indische neogeen met de indeling in mioceen en plioceen, gebaseerd op Europese vormingen, geeft dikwijls nog moeilijkheden.
Het neogeen is wegens de aanwezigheid van aardolie en kolen van groot economisch belang, daarom is deze formatie het best bestudeerd en het best onderzocht.
De eerste bruikbare stratigrafische indeling is door A. Tobler gegeven in zijn Werk: "Topografische und geologische Beschreibung der Petroleumgebiete het Moeara Enim (Süd-Sumatra)” die later voor het neogeengebied van Bantam op Java tot in de oostkust van Sumatra bruikbaar is gebleken.
In deze streken is het neogeen onderverdeeld in Boven-, Midden-, Onder-Palembang-, en Telisalagen en Batoeradja- of orbitoiden kalk.
Elders op Sumatra, Java, en Borneo zijn andere lokale benamingen ingevoerd, die nog met elkaar geparallelliseerd moeten worden.
Op Nieuw-Guinee ligt het plioceen discordant op oudere gesteenten.
Aan de noordkust heeft men het jongtertiair in 5 etages onderscheiden: bruinkool-zone, fossiel-horizon, zandsteen-, globigerinen- en conglomeraat-zone.
Het neogeen begint overal waar de onderste laag is waargenomen, met brecciën, conglomeraten, zandstenen, samen gesteld uit brokken van daaronder liggende kristallijne schisten, serpentijn, grabbo, diabaas, kwarts en plaatselijk ook uit dioriet, graniet, hoornrots en afgerolde stukken kiezellei met ammonieten.


Creatie datum: 07/12/2017 14:55
Categorie: - G
Pagina gelezen 336 keren


Reacties op dit artikel

Er heeft nog niemand gereageerd.

Nieuws van den dag uit het voormalig Nederlandsch-Indië