Zoek
 
Sluiten
INDISCHE ENCYCLOPEDIE
Indopedia
INDOPEDIA
De Indische Encyclopedie
 

Index encyclopedie

Tel. / adres boeken

Recepten, Gerechten

Djamu (Jamu) - medicinale kruiden , planten en vruchten. Ziekten & Kwalen

Indische Boekrecensies

Verhalen

Bladmuziek Krontjong

Bezoekers vanaf jun. '09

 18109591 Bezoekers

 33 Bezoekers online

rss Deze artikelen zijn ook met een RSS reader te lezen. :
https://www.indopedia.nl/data/nl-articles.xml

Heidendom.

Uiteraard waren de volken van de Indische archipel heidenen voordat zij de invloed ondergingen van het Hindoeïsme, de Islam en het Christendom. Maar ook daar waar de Islam en het Christendom ingang hebben gevonden, hebben deze godsdiensten zich gelegd over een oorspronkelijk heidendom, soms vermengd met nieuwe elementen uit het Hindoeïsme. Maar het heidendom is nooit geheel verdrongen. Dit heidendom dat terugvoert tot de oergodsdienst van de mensen, vertoont een vrij grote eenvormigheid. Hoe minder ontwikkeld de mens is, hoe eenvoudiger hij denkt. Hierdoor is de gedachte ook meer eenvormig. De godsdienst heeft dan een diepere invloed op het sociale leven. Men denkt zich het heelal vervuld met zeer vele goden en geesten, waarmee de mens voortdurend in aanraking komt en waarmee hij samenleeft. Uit de praktisch egoïstische  aard van de (primitief denkende) mens ontwikkelt zich een stelsel waardoor de mens zich kan verzekeren van de hulp van goden en geesten. Dit kan geschieden hetzij door overlevering, hetzij door eigen slimheid. De goden zijn in hoofdzaak de zielen van gestorven mensen. Alles wat bestaat is bezield: er bestaat dus geen dode natuur. De ziel kan zich van het voorwerp waarin zij huist, losmaken en gaan rondwaren. Het aantal zielen is eindeloos. Zij brengen ook allerlei verschijnselen teweeg, zoals ritselen, waaien, enz., ja alles wat men niet onmiddellijk kan verklaren. Ook alle kwaad, ziekte, dood, komt van deze wezens. Het is dus zaak om deze te weren. Die geesten zijn de primitieve mens vreemd; hij kent alleen de mens waarmee hij is vertrouwd. De geesten denkt hij zich dus toegerust met menselijke eigenschappen en geenszins als diepzinnige wezens. Hij geeft ze dus ook de vorm van de mens (anthropomorfisatie). Dit godsdienstsysteem is wordt veelal wordt aangeduid met de benaming animisme (zie aldaar). Het zich bezield denken van alles is een gevolg van gebrekkige primitieve waar-neming. Kennis van de natuur ontbreekt ten ene male. Een schaduw wordt beschouwd als een aan-hangsel van het voorwerp, een duplicaat dat zich ook kan losmaken van het lichaam (b.v. bij een vogel) want immers ’s nachts in het donker verdwijnt de schaduw. Wellicht is deze gedachte wel de grondslag van het zielenbegrip (zielen worden ook wel schimmen genoemd en schimmen zijn schaduwen). Andere duplicaten zijn b.v. het spiegelbeeld in het water, dus ook iets dat kan verdwijnen. Ook een afbeeldsel wordt als ziel van de persoon beschouwd (aldus ook in Japan, China, Voor-Indië). Een droom is een reis van de ziel; het duplicaat heeft zich van het lichaam afgescheiden. Een gedachte aan iemand wordt beschouwd als een verschijning van de persoon aan wie men denkt. Denkt men aan overleden personen dan is dit te meer reden voor het voortleven na de dood. Voor het woord of begrip ziel zijn verschillende namen. Het gewone Maleis-Javaanse woord is soemangat; levend zijn = bersoemangat, d.i. bezield zijn; tiada bersoemangat = dood zijn of bezwijmd zijn, waartussen een zeer zwakke grens wordt getrokken. Tiada bersoemangat betekent ook krankzinnig zijn, waaruit de deelbaarheid van de ziel blijkt. Andere woorden voor ziel zijn njawa (Skr.) en djiwa (Skr.); poetoes njawa, poetoes djiwa = dood, of bezwijmd zijn; boewang njawa = de ziel wegwerpen, dus het leven wagen; het leven hebben = bernjawa, enz. enz. Bij dood of bezwijming wordt allereerst de ziel terug geroepen om in het lichaam terug te keren. Men stelt zich veelal voor dat de ziel het lichaam verlaat in den vorm van een vogel of vlinder. De ziel wordt dan ook teruggeroepen zoals men een vogel roept. Krijgt men een vlinder in huis dan is dit de voorbode van een gast. Ook zielsverhuizing is mogelijk. De menselijke ziel kan overal in overgaan en ook elke andere ziel kan in het menselijk lichaam komen. In het laatste geval wordt men ziek of krankzinnig. Dus moet de vreemde ziel worden weggejaagd, hetgeen het best gebeurt door ont-zettend lawaai te maken. De ziel van den mens gaat vaak huizen in een dier, bv. een tijger, een krokodil, een slang. Daarom ook worden sommige diersoorten en in het algemeen de dieren door de Inlander gespaard. Zo’n dier kan dan de gedaante van een mens aannemen; voornamelijk is dit het geval bij tijgers en krokodillen (vergelijk bij ons de weerwolf = de menswolf). Op Sumatra, waar veel koningstijgers zijn noemt men dergelijke weertijgers harimau tjin- dakoe of orang tjindakoe; personen welke dit vermogen hebben denkt men veel in Kěrintje (Sumatra’s Westkust) voor te komen (de tjindakoe kan zich ook in een varken veranderen). Op Java heet de menstijger matjan gadoengan; deze schijnen veel in Lamongan (Pasoeroean) voor te komen. De Javaan noemt de tijger dan ook eerbiedig kaké (grootvader, oude man), kiai (aanspraak titel van een bejaard man), paman (oom) of toewan (heer). Ook in genealogieën komen vaak dieren voor.

Men kan door formulieren (ngèlmoe of rapal) zijn ziel en ook zijn lichaam doen overgaan in een dier. Met die ngèlmoe (zie aldaar) of rapal kan men alles verrichten: woorden vertegenwoordigen kracht en macht. Verwensingen, vervloekingen, gelukwensen enz. hebben bij de Inlander veel meer betekenis dan bij ons.
Ook planten zijn bezield; soms wordt er aan geofferd en wordt er een huisje of tempeltje bij geplaatst. Cultuurgewassen worden aangemoedigd; de seksuele neigingen moeten worden opgewekt om de oogst rijk te doen worden. Het gebeurt wel dat men, tegen de tijd dat de rijst rijpt, met zijn vrouw ’s nachts langs de velden gaat en daar de coitus uitoefent. Ook wel worden onder vruchtbomen coitus- bewegingen gemaakt om de vruchtbaarheid op te wekken.
Op Java heet de godin van de rijst dewi Çri (Skr.; vergelijk de Griekse godin Ceres, van rijkdom en landbouw), die zeer wordt vereerd. Ook heet zij wel Lakshmi. Dewi Çri huist ook wel in de sawah-slangen, die men dan ook met rust laat. In het water op de sawah’s werpt men wel geneeskrachtige middelen, dezelfde die aan kraamvrouwen worden gegeven om de vrucht te versterken. Als men een boom gaat omhakken wordt deze eerst gewaarschuwd, om de ziel gelegenheid te geven zich te verwijderen. Oude bomen worden vereerd wegens hun grote levenskracht. Vooral de waringin verheugt zich in een bijzondere verering. We staan hier dus als het ware voor het embryo van de tempels.
Ook voorwerpen kunnen worden vereerd en nuttig aangewend omdat er een ziel in huist of omdat zij zielmaterie bevatten (Feticisme, zie aldaar). Vooral erfstukken (poesaka) komen daarvoor in aanmerking; deze nl. bevatten ziel-materie van de voorouders die ze hebben bezeten. Zij worden gebruikt om zieken te genezen; ook wordt er aan geofferd. Elk vorstendom heeft zijn rijks-sieraden (Jav. oepatjârâ of ampillan; Mal. kabesaran). Hiervoor kunnen allerlei voorwerpen in aanmerking komen. Wie ze bezit heeft als het ware de troon. Die sieraden hebben vaak persoonsnamen. Bij epidemieën, dreigende oorlog, enz. worden ze te voorschijn gehaald; men offert er aan en besmeert ze met bloed (toevoeging, dus versterking van de zielmaterie). Vaak zijn er geschenken van de Compagnie aan de vorsten bij (kanonnen, eretekens, decoraties) ; ook wel grote diamanten. Bij de Dajaks worden potten vereerd. Waarschijnlijk werden vroeger daarin gesnelde koppen bewaard. Men heeft er mannelijke en vrouwelijke potten met persoonsnamen. De potten zijn van Chinese of Voor-Indische herkomst; vaak versierd met draken. De sultan van Broenai heeft een beroemde pot die spreken kan. Waarschijnlijk resoneert die pot wanneer men er in spreekt. Ter ere van die potten worden offerfeesten gehouden. Deze pottenverering kent men alleen op Borneo en op het eilandje Boewano (ten n.w. van Ceram), alsmede op de Filippijnen.
Ook stenen worden vereerd, z.g. moestika, goeliga, de bezoarsteen (van het Perz. pazuhar = tegengif, dus geneeskrachtig). Dit zijn versteningen uit de lichamen van dieren, dus uit bezielde wezens, dus zielmaterie bevattend. Ook bij ons in de middeleeuwen was de stenenverering zeer in zwang. Bij de Inlander kan echter elke steen hiervoor dienst doen. Batoekilat (bliksemsteen) of gigi goentoer (dondersteen, eigenlijk „tand van de donder”) doen ook dienst als amuletten of toverstenen. Deze hebben de vorm van messen of bijlen en worden in de grond gevonden; waarschijnlijk overblijfselen uit de steenperiode. Zij hebben ook het vermogen iemand dapper te maken. Zeer algemeen is de
verering van rotsen en stenen, vooral wanneer die grillige vormen hebben, dus in kalksteen: stalactieten. Grotten worden vaak plaatsen van bedevaart, b.v. op Celebes bij Maros, de boeloe sëpong, een grot met stalagmieten en stalactieten van druipsteen. Men neemt aan dat dit een paleis was, waarvan de bewoners tot straf versteend zijn. Hieraan worden geiten geofferd, waarvan de horentoppen verguld zijn. Amuletten heeft bijna iedere Inlander: tanden, haren, beenderen, veelal van grote dieren. Soms levende dieren, b.v. de tortelduif die beschermt tegen brandgevaar; allerlei tekens op veren en pootjes verhogen de beschermende kracht. Zelfs dood bewaart men ze wel. Ook het koppensnellen dient om amuletten te krijgen. Op Celebes nagelde men wel stukken van gesnelde koppen aan doodkisten, om zielstof toe te voegen. Een zieke wordt geranseld met een kop of met een scalp. Krankzinnigen en idioten laat men aan een stukje knabbelen. As van haar van gesnelde koppen is goed tegen stuipen en vallende ziekte. In de oorlog neemt men haar van gesnelde koppen mee. In de Lampongs deden de orang abong, de autochtone bergbewoners dit nog in het begin van de vorige eeuw. Op de eilanden ten westen van Sumatra (Mentawei eilanden, Nias) tot voor kort nog wel. Koppensnellen heet op Borneo ngajoe(Mal. mengajau). Op Celebes snelde men ook nog niet zo lang geleden; ook scalpeerde men daar. Uit de scalp werd gedronken. In de Minahasa bewaarde men nog oude gesnelde koppen. Op Halmahera en op Ceram snelde men ook. Op Boeroe niet, althans hiervan is niets gebleken. Verder op Ambon, de Papoesche eilanden, Nieuw-Guinee, de Kai-eilanden, de Aroe-eilanden en Timor.
De gesnelde koppen worden, om ze duurzaam te doen zijn, goed schoongemaakt en gerookt. In eigen stam snelt men nooit. De ziel van de gesnelde is natuurlijk in het begin boos, maar men kan hem bepraten en door offers ten goede stemmen. Een variatie op het koppensnellen is het afsnijden van de lippen; met hars bestreken wordt er een arm- of beenband van gemaakt.

Priesters hebben een toverstaf waaraan een stukje van iemand die plotseling  gestorven is, is bevestigd. Ook de toverbrei, poepoek, bij de Bataks, wordt er van bereid. Zo’n plotseling gestorvene heet materi sadawari. De schedel is het best voor poepoek, die dan in flesjes wordt opgehangen of wordt gesmeerd op de penghoeloe balang, de beelden aan de ingang van een Bataks dorp. De ziel is dus deelbaar, levert zielestof. Bij de Soendanezen is vel van een pasgeboren (liefst op Vrijdag) of ongeboren kind goed voor toveren. De Dajaks drenken de pit van een kaars in mensenbloed; dan is het een wonderkaars.
Bij het bouwen werden ook mensenoffers gebracht. Zo werd in de Minahasa in de vorige eeuw onder de hoofdpaal van een woning een kind en onder den nokbalk een mensenhoofd geplaatst. Op Ambon deed men een mensenhoofd onder de hoofdpaal; op Ceram deed men dit voor kort nog. Bij de Dajaks werd, voordat een paal werd in de grond geslagen, een slavin er onder begraven. Op de Mentawei eilanden werd ook gesneld voor bouwdoeleinden. Geleidelijk werden de mensenoffers door dierenoffers vervangen, terwijl onder invloed van de Islam het gebruik werd vervangen door een feest.

Mensenlijken zijn ook amuletten. Het lijk van een groot krijger werd veelal opgegraven en over-gebracht om als amulet dienst te doen. Balsemen van lijken was niet bekend, daarom werden deze begraven in hermetisch gesloten kisten (vroeger in stenen: sarcofagen). Soms worden de lijken uitgedroogd, o.a. bij de Papoea’s, dan aangekleed en in de woning bewaard of in grotten of hutten. Ook de Dajaks deden dit wel. Een geraamte doet eveneens dienst als amulet; het wordt onder de stamgenoten verdeeld. Hier heeft men dus reliekenverering (Tomboekoe: Oost-Celebes). Op de Oeliassers worden de relieken aan het lichaam gedragen (tanden, haren, enz.). Onder de rijks-sieraden van Bone komt voor de placenta van een vroegere vorst met wat van zijn haar.

De beelden op graven waren hulpmiddelen voor zielen. Ook de Egyptenaren hadden beelden bij de doodkisten, die waarschijnlijk moesten dienen als hulplichamen voor de zielen. Hoewel in mindere mate, komt dit gebruik ook in de archipel voor. Ook wel worden gesnelde hoofden op beelden geplaatst (Papoesche eilanden, Nieuw-Guinee), waarschijnlijk om zielenstof aan het beeld te geven. In oude Franse kronieken wordt vermeld dat aan het lijkmaal ook aanzat een beeld dat de overledene vertegenwoordigde. Daar de Islam de beelden- verering of idolatrie verbiedt, neemt dit gebruik af met de verbreiding van de Islam. Men vindt het dus meer in het Oosten van de archipel en op Nias, bij de Bataks en bij de Dajaks (hier heet het hampatong). Uit oude overblijfselen blijkt dat dit gebruik op Java zeer in zwang moet zijn geweest (stenen beelden uit het Hindoetijdperk). Het was dus in zwang bij nagenoeg alle heidense stammen. De Tënggěrezen doen er nog aan. In sommige volksgebruiken op Java vindt men de beeldenverering terug. Oude vrouwen spelen op het kerkhof Ni Towong; (dit was een oude vrouw waarvan allerlei verhalen in omloop zijn). Een pop wordt dan gekleed in ge-stolen kleren, wierook wordt gebrand, bezweringen uitgesproken, enz. Uit de bewegingen van de pop worden voorspellingen gedaan. De pop wordt bezield door de ziel van een der doden van het kerkhof; zij dient dus als hulplichaam voor de ziel.

Door allerlei bezweringen wordt de ziel in een beeld gekregen. Er zijn priesters die de beelden maken en tevens bezielen (de beelden heten op de Papoese eilanden korwar). Een bezield beeld is voor alles bruikbaar. Vooral gezinshoofden hebben zulke beelden. Men behandelt ze evenals men de mensen behandelt. Waar de Islam zijn invloed doet gelden wordt de ziel vereerd zonder beeld. Men heeft dan de gravenverering. Hier is de ziel dus nog gebonden aan het lichaam. Dit fetiçisme (om dit woord te gebruiken) staat tegenover de zielsverering zonder voorwerp, spiritisme. Dus geesten die niet zijn gebonden aan een voorwerp. Ook deze zijn hoofdzakelijk zielen van afgestorvenen: voor-ouderlijke eredienst. De geesten vertoeven waar zij zelf eens vertoefden, rondom de woningen van de levenden. Zij worden familie- of stamgoden. Op de kerkhoven toeven zij. Als zodanig wordt ook het graf vereerd. Een bepaald zielenland kent men niet. Wel kunnen de zielen ook ver weg verblijven, in de bossen, op de bergen, stroomopwaarts, of op een eiland, plaatsen die ver weg zijn en die men niet kent. De doden hebben dezelfde behoeften als de levenden: eten, drinken, hebben slaven en vrouwen. Deze dienen dan ook aan de dode te worden geofferd. Men steekt zich in de schamelste plunje om de goede kleren aan de dode af te staan, of men draagt helemaal geen kleren. Sieraden draagt men in rouwtijd natuurlijk ook niet. De Chinezen dragen zakkengoed als rouwkledij die tevens ceremoniekledij is bij het offeren. Vasten is eten offeren, of wel men gebruikt slecht voedsel. Rijstblokken mogen niet worden gebruikt, zeker niet alleen om geen lawaai te maken maar ook omdat men geen rijst voor eigen gebruik wil stam-pen. Ook mag geen vuur worden gestookt: dus niet koken. Sterft een vorst dan mag soms in het gehele rijk geen rijst worden gestampt. Ook wel gaat men niet thuis maar bij de buren eten. Makassaren en Boeginezen gaan niet naar de markt (dus niet kopen) bij het overlijden van de vorst. De goederen zijn pali ten behoeve van de overledene. Soms nuttigt men geen vlees, daar dit meestal een luxe is en kauwt geen betel omdat dit een lekkernij is.

De kleur van de rouwdracht is verschillend; zwart, geel of wit. Het rouwen duurt lang, soms jaren. In de eerste jaren wordt op vaste dagen geofferd: op de dag van de begrafenis, de 5e, 7e, 40e, lOOe, lOOOe dag na het overlijden. Meest worden eetwaren geofferd: de dode eet mee met de levenden, d.w.z. de laatsten eten het materiele, de dode alleen het etherische gedeelte. Deze, veelal grote maaltijden op heidense grondslag zijn ook onder de Islam in zwang gebleven. Men beschouwt ze dan als eetfeesten ten behoeve van de armen (sëdëkah’s).

Het begrip arm kan men dan uitbreiden zoveel men wil; de moskeebeambten vallen daaronder. Daarom wordt hem bij het verscheiden een groot uitzet meegegeven. Het lijk als zielenhuis wordt bewaard totdat het uitvaartfeest gevierd is kunnen worden. Bij de Dajaks heet dit uitvaartfeest toeloi (uitvaart) of tiwah (dit woord is ook in oud-Javaanse geschriften gevonden). Op Bali heeft het uitvaartfeest plaats met een voorlopige begrafenis. De offers waren in de eerste plaats mensen: slaven en ook de vrouwen van de overledene. Dit was vroeger in den archipel vrij algemeen. Door de invloed van het gouvernement zal het wel nagenoeg niet meer voorkomen. Op Nias werden enige slaven op een blok gelegd en met zwaarden op de nek geslagen. Werden deze uit angst krankzinnig dan was het doel bereikt want de ziel was dan met de dode meegegaan. Volgens oude berichten gingen vrienden en verwanten van de vorst wel uit eigen beweging met hem mee de dood in. De Spanjaard Urdanedo bericht in 1532 in de Banggaai archipel 150 vrienden van de overleden vorst over een tijdsverloop van 100 dagen te hebben zien krissen. Dit was geen hindoeïsme. Ook op het eiland Soemba, waar geen hindoeïsme was, kwamen mensenoffers voor. Waarschijnlijk is het dus een Polynesisch gebruik. (Ook op de Fidji-eilanden en op de Filippijnen was dit gebruik in zwang.

Het hindoeïsme heeft in de archipel het suttiïsme (van satia (Skr.) — getrouw, erenaam voor een weduwe) gebracht. De trouw van de weduwe uit zich door met haar overleden man mee de dood in te gaan. Thomas Cavendish die in 1580 Java bezocht, bericht dat in Balambangan (Oost-Java) bij het overlijden van de vorst verschillende van zijn  vrouwen zich van kant maakten. Valentijn bericht (1692) ook het doden van 274 van de 400 vrouwen van de vorst. In Bantam trachtten de vrouwen mee te gaan in het graf van de overleden vorst (1605) doch werden tegengehouden. Op Bali bestond dit gebruik tot voor kort (Tabanan) nóg. Ook in China heeft het door de eeuwen heen bestaan. De weduwe mag in geen geval hertrouwen. De nalatenschap van de overledene wordt vernield of begraven, opdat de aldus vrijgekomen zielen met hem kunnen meegaan. Ook wel worden vruchtbomen en veldgewas van de overledene vernield. Gebruik van de goederen van de overledene zou diefstal zijn. Tal van voorwerpen die aan de overledene toebehoord hebben worden pali (pe- mali of pantang of taboe, zie op dat woord) verklaard. Die voorwerpen mogen niet worden gebruikt. Soms worden het huis, een rivier (die langs de woonplaats stroomt), bossen taboe verklaard. Staken worden ten teken daarvan er bij gezet opdat iedereen het zien kan. Men kan echter het verbod afkopen: voor het geld wordt dan geofferd. Ook wel gaat men tijdelijk verhuizen; de woning wordt aldus afgestaan aan de overledene alleen (Alfoeren op Celebes). Ook de Chinezen hebben dit gebruik. Bij de Dajaks worden voorwerpen afgebeeld en geofferd door ze te ver-branden. Dit is bij Inlanders en Chinezen geen symboliek maar realiteit. Geld wordt nagemaakt in papier. Offeren van vee komt veel voor (Bataks). Op Soemba waar veel paarden zijn worden deze geofferd: zij krijgen een snede in den strot en worden dan het bos in gejaagd, waar zij sterven.

Het dragen van rouw is ook een offer aan de dode. Zo gaan heidendom en Islam hand aan hand. Toch weet de Inlander dat dit een feest is ter ere van hogere machten (lëloehoer). Deze feesten worden vooral gevierd op Java, Sumatra en door de Boegineezen. De bij uitstek geschikte maand voor de verering van de doden is de maand Sjaban, die dan ook wel roewah (van het Perz. arwah = geesten) wordt genoemd.

Sommige graven worden meer vereerd dan andere, nl. de zogenaamde heiligengraven (kramat), d.z. de graven van vorsten, groten, verkondigers van de Islam, asceten, enz. — Kramat betekent: begiftigd zijn met de genade van Allah, dus meer macht hebben dan een gewoon mens, dus wondermacht bezitten. Ook hierbij komt dus weer het heidendom te voorschijn. Aan dergelijke graven wordt geofferd, men smeekt om gunsten; wordt de bede verhoord dan worden dankoffers gebracht. Er hebben dus als het ware pelgrimstochten plaats. De Islam maakte van deze heidense offerfeesten weer maaltijden ten behoeve van de armen. De graven zijn dus zoveel als schutspatronen. Ook wel gaat men op de graven slapen om een ingeving in de droom te krijgen. Vorstengraven werden door bepaalde dorpen onderhouden, die daarvoor van de vorst vrijdom van belasting kregen; deze zijn de z.g. merdika (= vrije) desa’s. Het gouvernement heeft dit voorrecht in stand gehouden. [Zie ook Desa’s (Vrije)]. De inwoners van die dorpen waren veelal gebonden aan allerlei verbodsbepalingen (b.v. geen geweren afschieten). Bij bezoek van de vorst moesten zij deze en zijn gevolg onderhouden. In de buurt van deze dorpen zijn veelal door de vorst ingestelde godsdienstscholen. Hoewel de Islam gekant is tegen mensenverering, is het aantal kramats legio. Men verklaart dit aldus dat de mensen niet mogen worden aanbeden maar wel aangeroepen.

De Inlander gelooft dat deze graven worden bewaakt door tijgers of krokodillen. Men doet dan het best niet of een ander taaltje te spreken in de nabijheid van die graven, om de geesten in de war te brengen. Ook de zeevarende Maleiers houden er om dezelfde reden een soort Bargoens op na. De graven- verering is dus de verering van andermans voorouders, niet van eigen, alzo goden, niet bepaald behorend tot de voorouderlijke zielsverering. Toch blijft daarnaast bestaan de verering in eigen huis van eigen voorouders. Hiervoor dient een soort huisaltaar: een paal (bij de Boeginezen) waarbij wordt geofferd of kleine huisjes bij de woning. Ook hier vindt men het embryo van de tempel.

De heidense tempeldienst is in de archipel alleen bij de Chinezen sterk ontwikkeld. Dit komt omdat bij hen de huizenbouw hoger staat, waardoor van de tempels meer werk wordt gemaakt. De godsdienst der Chinezen komt in wezen overeen met het heidendom van de Inlanders. Ook de Chinezen hebben het huisaltaar, tegenover de ingang van de woning: de zielen worden door houten plankjes, met namen en data van de overledenen, vertegenwoordigd. De voorouders zijn de beschermheiligen; op bepaalde dagen wordt geofferd. Grote plaatsen hebben formele tempels met voorouders voorstellende tabletten. Woorden voor goden en geesten zijn (Mal. Jav.): jang, ajang, sang jang of si jang, dan jang, leloehoer. Van jang afgeleid zijn de woorden: sem- bahjang (= een sembah brengen aan de goden of geesten, dus verering van de geest), kajangan = geestenverblijf. Jav. lelemboet (ngoko, v. lemboet = voorbijgaan), lelembat (kromo, v. lembat = id) = voorbijgegane, dus overledene. Uit het Skr. dewa (m.), dewi (vr.) = god, godin. Verbastering van het meervoud daarvan (dewata) : djembata. Van het Arab.: sjaitan (van het Griekse satanos) = duivel, verbasterd tot sètan; van het Perz. djin = geest.

De Javanen hebben speciale woorden voor bepaalde geesten en goden, zo: tjakal-bakal-desâ, de eigenlijke desagod, de oerstamvader van het dorp. Deze wordt vereerd in het huis van het desahoofd.
Verder: danjang desâ, de god van de desa, de ziel die het grondgebied van de desa bezielt, dus de aardgod, vereerd op de aloen-aloen of op een vooruitstekend gedeelte van de bodem. Op de aloen-aloen staat veelal een huisje onder de waringin, de kiem van een heidense dorpstempel. Aangrenzende dorpen hebben soms een gemeenschappelijke tjakal- bakal-desâ; dit is het geval wanneer doekoe’s of bijdorpen later zelfstandig dorp zijn geworden. De gemeenschappelijke tjakal-bakal- desâ heet danjang toewâ. De danjang toewâ is het hoofd van de mindere godheden, zoals die van de sawah’s (als stuk van het desâ- gebied) ; elke sawah heeft haar eigen god. Grondgoden zijn natuurgoden; zo ook godheden van rotsen en andere onderdeden van de natuur. Deze godenvoorstelling noemt men naturisme. Zo wordt de wind voorgesteld door een godheid sambang (= ronddwalen) genaamd. Er zijn bepaalde dagen voor het aanroepen van deze gden. Excorcisme of uitdrijving van de kwalen (bv. reumatiek) wordt aan deze goden toegeschreven. De stormgod, djati ngarang stelt men zich voor als een reus, gewapend met een knots. Dingin, de koudegod, veroorzaakt bèri-bèri, waterzucht. Aan lampor (een mens met een buffelkop) worden zware regens toegeschreven; mèntèk veroorzaakt bederf van vruchtbomen en rijst; âmâ vernielt de velden door muizen (hieraan wordt geofferd, de overige kunnen worden verdreven door lawaai). Zo heeft men ook een speciale god voor de karbauwenziekten, enz. De meest algemene godheid van de Javanen (in het bijzonder in Soerakarta en Jogjakarta) is Njai Lârâ Kidoel, de Javaanse vrouwelijke Neptunus. Zij wordt vereerd in tempels en in kalkgrotten (o.a. in z.-Jogjakarta aan het riviertje Oepak, waar vroeger ook wel de vorsten gingen slapen om droomonthullingen te krijgen).


Creatie datum: 05/06/2018 10:55
Categorie: - H
Pagina gelezen 447 keren


Reacties op dit artikel

Er heeft nog niemand gereageerd.

Nieuws van den dag uit het voormalig Nederlandsch-Indië