Zoek
 
Sluiten
INDISCHE ENCYCLOPEDIE
Indopedia
INDOPEDIA
De Indische Encyclopedie
 

Index encyclopedie

Tel. / adres boeken

Recepten, Gerechten

Djamu (Jamu) - medicinale kruiden , planten en vruchten. Ziekten & Kwalen

Indische Boekrecensies

Verhalen

Bladmuziek Krontjong

Bezoekers vanaf jun. '09

 18230777 Bezoekers

 24 Bezoekers online

Indische culturele agenda / kalender
rss Deze artikelen zijn ook met een RSS reader te lezen. :
https://www.indopedia.nl/data/nl-articles.xml

Huwelijk.

Het huwelijk is voor de Inlander de gewichtigste gebeurtenis van het leven.
Een grondbeginsel daarbij is de polygamie, de zucht om veel kinderen te hebben en zodoende een grote stam of geslacht.
Toen de stammen afzonderlijk naast elkaar leefden gaf de numerieke sterkte ook macht.
Kinderen krijgen is hoofdzaak.
Ieder kan zoveel vrouwen hebben als hij verkiest.
Het Mohammedanisme beperkt dit aantal weliswaartot vier, maar deze zijn de huisvrouwen, de hoofdvrouwen; men mag ook bijvrouwen hebben, zodat een harem geoorloofd is.
Praktisch kan men dus toch zoveel vrouwen hebben als men wil.
Aangezien echter meer vrouwen meestal ook meer kosten met zich meebrengen, zijn het uitsluitend de hoofden en beter gesitueerden die meer dan één vrouw hebben.
De laatste tijd echter komt meer en meer in zwang dat deze maar één vrouw hebben.
De gewone Inlander heeft maar een vrouw.
Aan de Javaanse hoven heeten de hoofdvrouwen padmi, de bijvrouwen goendik of sělir.
De goendik zijn een graad hoger dan de sělir.
De laatsten worden uit het volk gekozen.
Van de padmi is de eerstgehuwde de hoogste in rang.

Aan het huwelijk gaat een vrijage vooraf.
Kinderen worden beschouwd als slaven; daarom ook wordt het huwelijk door de ouders beredderd.
De plaats voor kennismaking voor huwbaren is meestal het veld, vooral de sawah.
De vrouw is zeer belust op trouwen.
Van liefdesdranken wordt veel gebruik gemaakt; ook hieraan ligt ten grondslag het denkbeeld van transmigratie.
Getah pertjah of rubber, dat kleeft en aan de lucht blootgesteld taai wordt, betekent dus toenaderingsvermogen.
Daarom worden van de bast drankjes bereid.
De helft moet het meisje, de andere helft de jongeling drinken.
Wanneer een jongeling een sirih-pruim van het meisje aanneemt, betekent dit, dat hij haar accepteert.
Geen huwelijk komt tot stand zonder tussenpersoon of koppelaar; dit is een deftig beroep en zeer in aanzien.
Levende getuigen zijn nodig daar men geen geschreven stukken heeft.
De vader zoekt meestal een schoonzoon, in alle geval moet hij zijn toestemming geven.
Men trouwt zeer jong; meisjes van 14 en 15 jaar zijn meestal volkomen huwbaar.
De onderhandelingen tussen de ouders worden vaak gevoerd als de kinderen pas geboren of nog zeer jong zijn.
Dit is een kawin gantoeng, een huwelijk, dat nog hangende is; het eigenlijke huwelijk heeft pas plaats als de betreffenden huwbaar zijn.
Meestal gaan de ouders tijdens de onderhandelingen elkander bezoeken, vergezeld van familie. Soms is ook het meisje hierbij tegenwoordig.
Volgens de adat wordt er bijna niet over het huwelijk gesproken.
Wel wordt de toestemming van de jonge man gevraagd; hoe het meisje er over denkt komt er niet op aan.
Dan wordt er gewicheld of de beiden bij elkaar horen.
Leidt dit tot een resultaat dan zenden de ouders van den jongeling aan de ouders van het meisje een verlovingspand (paningset), meestal bestaande uit een of meer voorwerpen van waarde.
Wordt dit aangenomen dan is de zaak in orde.
Volgens de adat moet nu een huwelijk volgen; wordt de overeenkomst verbroken dan moet de paningset worden teruggegeven.
Dit is de eerste periode voor het sluiten van een huwelijk.
De tweede periode is de uitkering van de bruidschat ( toekon of toembassan = koopsom).
De dochter is een bezitting die men dus afstaat tegen een vergoeding.
Zonder ‘toembassan is geen huwelijk mogelijk.
De grootte van de toembassan  wordt bij de onderhandelingen door de tussenpersoon bepaald.
Deze treedt op als getuige.
Gedurende de onderhandelingen worden kleine cadeaus gewisseld ter vergemakkelijking.
De bruidsschat kan bestaan uit allerlei.
Er mag echter niet aan ontbreken een paměsing (van pěsing = urine).
Het is een stuk goed dat gegeven moet worden aan de vrouw die het meisje heeit gebakerd en dus veel onaangenaams heeft ondervonden van de pésing.
Het overbrengen van den bruidsschat gaat gepaard met veel statie en met een feestmaal.
Dit wordt door alle belangstellenden bijgewoond.
Het huwelijk toch is een dorpszaak, een stamzaak.
Ieder die zin heeft eet mee, maar brengt ook een cadeautje mee.
Er komen ronggèngs, wajang, muziek, enz. bij te pas.
Een hadji, godsdienstleraar of moskeebeambte prevelt gebeden.
De bruidegom wordt door een ieder gelukgewenst, doch wordt verder aan zijn lot overgelaten.
Nu moet de bruid warden afgeleverd.
De Islam heeft hieraan een tintje ritueel  gegeven.
De avond te voren wordt een offer gebracht aan de widadari (hemelgeesten).
Daarmee begint de eigenlijke huwelijksvoltrekking.
Dan scheert men bruid en bruidegom de wenkbrauwen en wat haar af.
Misschien is hierin ook een offer te zien.
In die nacht mogen bruid en bruidegom nietslapen, anders brengen de geesten van de duisternis ongeluk over het huwelijk.
Zij worden door speciale mensen wakker gehouden.
Die nacht verven bruid en bruidegom zich, de eerste met, rode, gele en zwarte verfstof, de laatste vooral de wenkbrauwen zwart.
Nu heeft eerst de Islamietische huwelijksvoltrekking plaats.
De vader of naaste bloedverwant van de bruid (wali. zie aldaar) is er aanwezig namens de bruid, die er zelf niet bij is.
De wali geeft de bruid aan de bruldegom ten huwelijk.
Het huwelijk wordt voltrokken door de daartoe bij ordonnantie aangewezen persoon (op Java de
pangkoeloe) Deze zet zich in de moskee op een nieuw matje (want  de bruidegom treedt een nieuw leven in).

Achter hen neemt de familie plaats, voor hen de wali.
Te voren heeft hij zich er van vergewist dat tegen het huwelijk geen bezwaren bestaan vanwege de godsdienstige wet.
De bruidegom vraagt hij  of hij in het huwelijk toestemt en of de bruidsschat behoorlijk is betaald; het laatste wordt ook de wali gevraagd.
Daarna heeft de inzegening plaats.
De bruidegom betuigt de wali zijn dankbaarheid door voor hem neer te knielen en zijn voorhoofd tegen diens knieën te drukken.
Dit doet hij ook bij andere deftige familieleden.
Daarop verwijdert de bruidegom zich.
De wali trakteert en betaalt de huwelijkssluiter zijn Ioon uit.
De aflevering van de bruid gaat eveneens gepaard met de nodige feestelijkheid.
De bruidegom is dan in hofkostuum, d.w.z. het bovenlijf naakt en evenals het gelaat beschilderd.
Als hij zich te paard begeeft naar het huis van de bruid, wordt het paard bij de toom geleid.
Een gamelang en een statiepajong zijn in de stoet aanwezig.
Soms is het gehele dorp er bij tegenwoordig.
De kinderen rijden op speelgoedpaardjes; soms zijn er reuzen bij (barongan).
Hierin is natuurlijk veel variatie, ook afhankelijk van het feit, hoe goed de bruidegom het heeft.
Deze wordt aan de hand binnengeleid in het huis van de bruid.
De bruid wordt aan den voorkant van het huis naar buiten geleid; de blote lichaamsdelen zijn geel geverfd.
Zij is in bruidskledij.
Zodra bruid en bruidegom elkaar zien werpen zij elkaar een pinangpruim toe.
De bruidegom trapt ijs stuk, dat  op de vloer is gelegd.
Dit is de symbolische voorstelling van de mannelijke en de vrouwelijke kiem en het verbreken van de schaal van het ei.
Bruid en bruidegom worden met rijst bestrooid (overvloed van voedsel).
Dit is een in Azië een vrij algemeen verbreid gebruik.
De bruid wast even de voeten van de bruidegom ten teken van onderworpenheid.
De bruidegom werpt wat eetwaren in de schoot  van de bruid ten teken dat hij steeds in haar onderhoud zal voorzien.

Bruid en bruidegom zetten zich even naast elkaar om zich door iedereen te laten bekijken, want het hele dorp mag zien en weten wie zij zijn.
Het einde is een eterij, waaraan bruid en bruidegom deelnemen.
De laatste steekt allerlei lekkernijen in de mond van de bruid.
Gamelan en poppenspel luisteren het feest op.
De bruid wordt in een gesloten draagstoel overgebracht naar het huis van den bruidegom.
Bruidsmeisjes zijn aanwezig
De schoonvader treedt naar buiten en helpt de jonge vrouw naar binnen.
Hij is het, die haar ontvangt, niet zijn zoon, want die is van hem.
Het echtpaar wordt ingehaald doortwee rijen familieleden.
Daarna speelt zich hetzelfde af als in het huis van de bruid.
De bruidskamer is behoorlijk ingericht.
Twee matronen, pengarih (= temster, africhtster) zijn aanwezig die de bruid op de hoogte brengen van haar huwelijksplichten.
In het bruidsbed zijn een potje met rijst en een potje met geld: het kind waarvan in die nacht de kiem wordt gelegd, zal welvarend zijn.
Ook worden offers aan de geesten gebracht (leloehoer).
Nadat de bruid op de hoogte is gebracht wordt de bruidegom binnen gebracht.
Den volgende dag gaan bruid en bruidegom naar het huis van de bruid om weer feest te vieren.
Heeft de jongeling geen of niet voldoende middelen om de bruidsschat te voldoen, dan kan hij trouwen op krediet.
Hij neemt dan zijn intrek bij de ouders van de bruid. (De kosten van het huwelijk worden altijd door de familie van de bruid gedragen).
Hij moet dan voor de schoonvader werken, wiens pandeling hij feitelijk is.
Zolang de schuld niet is afgelost behoren de kinderen uit zo'n huwelijk tot de familie van de bruid.
De afstamming van de kinderen is in zo’n geval dus meer matriarchaal.
Zo’n huwelijk heet. in het algemeen ambil-anak-huwellik en op Java njantrèkkaké
(van santri = intern leerling van een godsdienstschool).
Deze huwelijken worden ook wel gesloten wanneer de schoonvader alleen dochters heeft.

Wanneer oudere zusters nog niet zijn gehuwd of verloofd wordt het huwelijk van de jongere dochter soms voor onbepaalde tijd uitgesteld.
Trouwt men een weduwe met kinderen dan kunnen vele ceremoniën achterwege blijven, want de kinderen zijn er al.
Geslachtelijke gemeenschap voor het huwelijk komt vaak voor.
Wordt een meisje zwanger bevonden dan moet de dader - zo hij wordt gevonden op haar aanwijzing, geholpen door de publieke opinie – haar huwen.
Ontkent hij, dan kan hij zich zuiveren door een eed.
Gaat het huwelijk door, dan zijn er weinig ceremoniën, want het kind is reeds in aantocht.
Is de man weigerachtig of wordt hij niet gevonden, dan komt het kind aan de gemeenschap.
Het hoofd neemt het vrouwtje tot echtgenote, dan wel hij wijst iemand daarvoor aan.
Is het kind geboren dan wordt het door de gemeenschap uitgehuwelijkt; is het een meisje dan doet de panghoeloe dat meestal.
Belaging van meisjes komt weinig voor.
Gebeurt het een enkele maal dan is de belager verplicht het meisje te huwen.

Dit alles berust op de adat.
Een middel voor de vrouw om in huis de baas te worden is het koekang-middel.
De koekang is een aapje van onderworpen natuur.
Het diertje wordt onder allerlei bezweringen onthalsd, waarna uit de schedel een stukje wordt genomen, dat in de drinkkan van de man wordt gelegd.
Hoewel het voorstaande meer speciaal betrekking heeft op Java, zo heeft bij een huwelijk de gang van zaken in vele streken van de buitengewesten daarmee grote overeenkomst.
In sommige streken komt bij overlijden van de man het recht op de vrouw aan de zwager; dit noemt men het zwager- of leviraatshuwelijk (levir  = zwager).
Op Java heeft men het endogame huwelijk, d.w.z. de vrouw wordt uit de stam van de man gekozen; bij de Minangkabau-Maleiers en bij de Bataks daarentegen is het verboden een meisje uit eigen stam te huwen, men zoekt haar buiten de stam. (exogamie)

Bij de Minangkabauers heeft men de matriarchale afstamming van de kinderen en blijft de vrouw in het huis van haar familie, voor wie zij ook blijft werken; de man trekt telkens tijdelijk bij haar in.
Waar de familie de vrouw niet aflevert is dus geen bruidsschat nodig; wel een mas kawin, d.i. een som die de bruidegom betaalt aan de familie van de bruid, niet om haar te kopen, maar om te verbeuren wanneer hij van de vrouw scheidt.
De mas kawin wordt gewoonlijk pas betaald bij echtscheiding.
Bij de Bataks (patriarchaat)echter gaat de vrouw wel over in de stam van de man; hiervoor is dus wel een bruidsschat (djoedjoer) nodig, waardoor zij als 't ware losgemaakt (nl. gekocht) wordt van haar stamverband.
 ln de archipel is endogamie overheersend, (Javanen, Dajaks, Alfoeren, Celebes, Sumatra, uitgezonderd de Minangkabauers en Bataks) omdat behalve bij de Minangkabauers en Bataks het dorp uit één stam bestaat.
Bij de Minangkabauers (theoretisch) uit 4 (doekoe's), bij de Bataks uit 2 (marga's).
Ook het patriarchaat is in de archipel overheersend (alleen de Minangkabausche landen zijn matriarchaal).
Daarom gaat de vrouw mee in het huis van de man, daarom is de (gekochte) vrouw en zijn de kinderen uit het huwelijk in het algemeen eigendom van de man en bij zijn overlijden van zijn
stam (broer, dorpshoofd, kinderen).
In Redjang (Benkoelen) kan de weduwe zich vrijkopen door betaling van de djoedjan.

- - - - - - - -
1) Voor Java en Madoera zijn de regels betreffende huwelijken en verstotingen onder Mohammedanen vervat in Stb. 1929 no. 348 j°. Stb. 1931 on. 467, voor de gewesten daarbuiten in Sth. 1932 no. 482.
- - - - - - - -


Creatie datum: 30/08/2018 11:51
Categorie: - H
Pagina gelezen 318 keren


Reacties op dit artikel

Er heeft nog niemand gereageerd.

Nieuws van den dag uit het voormalig Nederlandsch-Indië