Zoek
 
Sluiten
INDISCHE ENCYCLOPEDIE
Indopedia
INDOPEDIA
De Indische Encyclopedie
 

Index encyclopedie

Tel. / adres boeken

Recepten, Gerechten

Djamu (Jamu) - medicinale kruiden , planten en vruchten. Ziekten & Kwalen

Indische Boekrecensies

Verhalen

Bladmuziek Krontjong

Bezoekers vanaf jun. '09

 18390426 Bezoekers

 25 Bezoekers online

rss Deze artikelen zijn ook met een RSS reader te lezen. :
https://www.indopedia.nl/data/nl-articles.xml

Inlandse Ontginningen.

De Inlandse mijnbouw bepaalt zich tot de winning van diamant, goud, bruinkool, zwavel, zandsteen, kalksteen en tinerts. Deze mijnbouw staat op laag niveau en is over het algemeen van weinig betekenis.
De primitieve wijze van ontginning is oorzaak dat zodra de grondwaterspiegel bereikt is de wateraandrang te groot wordt om die met primitieve middelen de baas te blijven, waardoor de winning van het erts gestaakt moet worden.

Diamant.
De winning van dit edelgesteente is geheel in handen van Inlanders.
Het wordt in de stroomgebieden van de Banjoes Riam Kiwa en Riam Kanan en de Banjoe Irang in de afdeling Martapoera en van de Soengei Koesan in de onderafdeling Tanah Boemboe (z. en o. afdeling van Borneo) en langs de Soengei Landak en Soengei Sikajam in de west-afdeling van Borneo gewonnen.
De grindbanken in de rivieren worden met de doelang verwassen en de diamant houdende laag buiten het rivierbed met putjes van 1½ x 1½ m. doorsnede toegankelijk gemaakt.
De putjes zijn zelden dieper dan 6 m. daar nog dieper de watertoevoer te groot wordt.
De diamantterreinen worden het gehele jaar door bewerkt.
In de droge tijd worden de laaggelegen terreinen voor bewerking uitgekozen, in den natte tijd de hoger gelegen padang-terreinen. Gereedschappen bij het graafwerk in gebruik zijn de „sirak” een stalen breek- en boorijzer, 80 cm. lang, de „linggis” een breekijzer met platte snede en houten steel en de „angkattan” (rottan draagmandjes), die 8 kg. grond (zand, grind en stenen) kunnen bevatten.
De diamantlaag heet „lambakan”, de vloerlaag „pientakan”; de laag wordt 4 a 5 m. ter weerszijde van de put afgebouwd.
De diamant-grond wordt in prauwtjes gestort, waar de eerste bewerking, het uitkneden van de klei, plaats vindt.
Het grove grind wordt met een zeef afgezeefd en het overblijvende in een tweede prauw met doelang (in Borneo „linggangans” genoemd) van 75 cm. diameter en 25 cm. diep, verwassen.
In de jaren 1918,1921 en 1922 werden bijzonder veel diamanten gevonden; de productie bedroeg in die jaren resp. 1.752, 1770 en 1920 karaat ter waarde van 116.300, 180.524, 168.283 gulden.
De productie is sterk achteruitgegaan.
In 1928 t/m 1931 was deze resp. 236, 569½, 447¼, 287¼ karaat ter waarde resp. van 20.177, 36.704%, 20.231 en 18.960,25 gld.
De diamanten worden in de kampongs Pakaoeman, Pasajangan, Djawa en Keraton en een paar andere in met stoom gedreven slijperijen geslepen, waar de zitplaatsen worden verhuurd.

Goud.
Oude Inlandse mijnwerken worden in de Wojlastreek (Atjeh), in Boven Djambi en in de afdeling Lebong van Benkoelen aangetroffen.
In Lebong werden de rijke gedeelten van de goudertsgangen van Lebong Simpang, Donok, L Soelit, L Tandai en Karang Soeloe met tunnels en schachten bewerkt.
De verwerking van de ertsen geschiedde op platte andesietblokken, (batoe gassoer), waarop de ertsen met grote ronde stenen (batoe giling) werden fijn gewreven.
Op verschillende plaatsen in het bos werden deze stenen voorwerpen gevonden.
Het vermalen erts werd op een doelang verwassen.
Ook in de Toradjalanden in Midden Celebes zijn dergelijke stenen werktuigen gevonden. In de tegenwoordige tijd wordt slechts het rivier- en beek-gruis bewerkt; bij lage waterstand in de droge tijd, wanneer tuinen en ladangs weinig verzorging meer eisen en na bandjirs, wanneer veel grond weggespoeld en meegevoerd wordt in de boven- en middenlopen van de riviertjes in de goudstreken.
De productie is in de meeste gevallen niet groot: 20 a 30 cent per man en per dag.
In Boven Djambi werd in de Pangkalan Djamboe- en Asaistreek door Korintjiers een tertiaire grintbank onder een jonger tuf- en agglomeraatdek deels in open groeven (tambang lajau) deels met kleine tunnels (tambang djaroeng)ontgonnen.

Op Sumatra wordt door de bevolking gewassen in Mandailing en Natal (res. Tapanoeli) in de landschappen Singingi en Logas van Kotta Baroe tot Logas (Onderafdeling Kampar Kiri, oostkust van Sumatra); in de onderafdelingen Ophir, Loeboek Sikaping, Sawah Loentoe, Sidjoendjoeng, Kerintji (Sumatra ’s westkust) ; in de stroomgebieden van de Tabir, Mesoemai, Merangin, Tambesi, Asai, en Limoen (Djambi); in het stroomgebied van de Rawas (Palembang); in de onderafdelingen Sambas, Sintang, Mempawa, Singkawang (wester afdeling van Borneo); in de Riamstreken (afdeling Martapoera), Beraoe in de z. en o. afdeling van Borneo; in Midden-Celebes en in Bolang Mongondou en Gorontalo (Manado).
Ook op Timor wordt goud gewassen, hier door Chinezen en niet door de inheemse bevolking, daar dit in strijd is met haar godsdienstige opvatting, want zij neemt aan dat hare Godheid Oesif Pa in de Aarde huist.
Men zal dan ook nooit Timorezen uit de bergstreken voor ondergronds mijnwerk kunnen aanwerven.
De opbrengst is in de laatste jaren aanmerkelijk verminderd, doordat met minder moeizaam werk (tappen van rubberbomen) meer is te verdienen. Omstreeks 1907 bracht de westerafdeling van Borneo 581 thail van 51 gr. op, dat verkocht werd tegen 60 tot 80 gld. per thail, in 1912 brachten de goudwasserijen in de onderafdeling Pleihari 14.490 gld. en het jaar daarop slechts 4.640 gld.op

Bruin- en Steenkolen.
Waar kolenlagen in rivieroevers voor de dag komen, de deklaag niet te dik is en de kolen niet van al te inferieure kwaliteit zijn, worden deze door Inlanders ontgonnen.
In de regentijd worden de deklagen afgestoten en met rivierwater weggespoeld, de ontblote hoeveelheid kool gewonnen, op vlotten geladen en afgevoerd.
In Palembang wordt bij Poeloepanggoeng, Darmo, Boeloeran en Laje alle aan de Enim-rivier gelegen kool in dagbouw gewonnen en per vlot naar Palembang vervoerd, waar het tegen 5 a 6 gld. per ton verkocht wordt; in hoogconjunctuurtijd brachten deze kolen 15 gld. per ton op; thans is de prijs gedaald tot het oude prijsniveau.
In 1931 werd 120 m3. bruinkool gewonnen en afgevoerd.
In de westerafdeling van Borneo: in Boenoet, Salimbau en Embau (Afd. Sintang), in de z. en o. afdeling van Borneo werden in Beraoe veel kolen gewonnen en in die tijd aan de Koninklijke Pakketvaart Maatschappij verkocht, voorts in Samarinda, Martapoera en de Doesoenlanden.
Een deel van de kolen van Martapoera wordt geleverd aan de diamantslijperijen.
De totale productie van de Inlandse kolenontginningen bedroeg in de jaren 1928 t/m 1931 resp. 46.856, 54.632, 24.178, 33.200 ton.

Petroleum
werd vroeger meer door de bevolking gewonnen dan thans; nadat de rechten op de bovengrond door de Petroleummaatschappijen waren afgekocht, staakten zij de winning.
In 1928 werd nog een kleine hoeveelheid olie gewonnen in de marga’s  Sanga Desa, en Boelang Tengah Semangoes in Palembang.

Tinerts
werd vroeger door de bevolking in de Lima Kotta door de bevolking gewassen en aan het Gouvernement ingeleverd tegen een vaste prijs, verder op enkele eilanden van de Riouw-archipel.
Het hier gewonnen erts werd naar Singapore uitgevoerd.
Zand- en kalksteen
wordt op domeingrond in de desa’s Kepoeh Tjikemoel en Palimanan
(Cheribon) in open groeven gewonnen. De hoeveelheid is gering.

 

Zwavel.
De Inlandse winning op de Goenoeng Welirang in Malang leverde in 1931 ongeveer 1620 picol, welke hoeveelheid te Priangan 3.75 gld. per pikol opbracht.
De zwavel wordt in putjes gewonnen; door de hoge bodemtemperatuur blijft de gevormde zwavel vloeibaar en kan dan afgeschept worden.
De dagproductie bedraagt 5 pikol.
Uit de solfataren op het Idjen plateau in Besoekoe werd in 1913 ongeveer 5000 pikol door de Inlanders gewonnen voor de pestbestrijding.


Creatie datum: 17/12/2018 09:58
Categorie: - I
Pagina gelezen 319 keren


Reacties op dit artikel

Er heeft nog niemand gereageerd.

Nieuws van den dag uit het voormalig Nederlandsch-Indië