Zoek
 
Sluiten
INDISCHE ENCYCLOPEDIE
Indopedia
INDOPEDIA
De Indische Encyclopedie
 

Index encyclopedie

Tel. / adres boeken

Recepten, Gerechten

Djamu (Jamu) - medicinale kruiden , planten en vruchten. Ziekten & Kwalen

Indische Boekrecensies

Verhalen

Bladmuziek Krontjong

Bezoekers vanaf jun. '09

 18381772 Bezoekers

 26 Bezoekers online

rss Deze artikelen zijn ook met een RSS reader te lezen. :
https://www.indopedia.nl/data/nl-articles.xml

Java 2

De Compagnie verkreeg bovendien Semarang en omgeving.
In Bantam werd het handelsmonopolie voor dat rijk en de Lampongs in 1684 verkregen na een hevige strijd tussen de krachtige Sultan Ageng en zijn zoon Sultan Hadji, welke laatste steun zocht bij den Gouv.-Gen. Cornelis Speelman (1681-1684).
In 1683 viel Sultan Ageng in handen van zijn zoon, die hem overbracht naar Batavia.
Sultan Hadji was nu erkend sultan van Bantam.
Hij deed afstand van de vroegere aanspraken van de Bantamse sultans op Cheribon.
Alle Europeanen behalve de Nederlanders moesten Bantam verlaten.
De Tji Sedane werd de grens tusschen het gebied van de Compagnie en Bantam.
Hiermee was de suprematie van de Compagnie over heel Java behalve de uiterste oosthoek bevestigd.
Onder de opvolger van Speelman, de Gouverneur-Generaal Johannes Camphuys (1648—1691) begint het optreden van Soerapati, een Balinese slaaf, die in dienst van de Compagnie tot luitenant over een afdeling Balinezen was opgeklommen.
Uit wraak over een ondervonden belediging keerde hij zich tegen de Compagnie.
Door haar strijdmacht gedwongen de Preanger, waar hij duchtig had huisgehouden, te verlaten, week hij uit naar Kartasoera, de hoofdplaats van Mataram, waar hij met open armen werd ontvangen.
De krijgsoverste Tak werd aan het hoofd van een gezantschap naar Amangkoerat II gezonden om de uitlevering van Soerapati te eisen, doch bij een verraderlijke aanval vonden overste Tak en vele compagniesoldaten de dood.
De Soenan bood daarover zijn verontschuldigingen aan.
Maatregelen werden niet genomen en later vroeg de Soenan, daar hij zelf last van Soerapati begon te krijgen, de steun van de Compagnie.
Deze steun werd hem echter na het gepleegde verraad niet gegeven, ook in verband met een sterke anti-Europese, Mohamedaanse beweging, die zich over heel Java openbaarde en veel onrust verwekte.
Soerapati was naar Oost-Java uitgeweken, van waaruit hij Mataram bestookte.
De Compagnie hield zich echter buiten de Mataramse kwesties tot in 1703 de Soenan overleed en opgevolgd werd door zijn zoon Amangkoerat III, later genoemd Soenan Mas.
De jonge Soenan was een echt Oosters despoot.
Hij kreeg ruzie met zijn oom, Pangeran Poeger, aan wie na zijn onderwerping in 1681 na de opstand, de bescherming van de Compagnie was toegezegd.
Toen bleek, dat Soenan Mas met Soerapati tegen de Compagnie heulde, werd Poeger als Pakoe Boewono I door de Compagnie als Soenan erkend.
Dit leidde tot de eerste Javaanse Sucsessieoorlog (1704-1708).
Voor de hulp daarbij door de Compagnie verleend, werd de grens van het Compagniegebied in west-Java tot de Tji Losari en de Tji Donan uitgebreid, waardoor dus Mataram afstand deed van alle afspraken op Cheribon en de Preanger.
Ook oost-Madoera werd Compagniesgebied.
In Kartasoera zou de Compagnie een bezetting mogen leggen.
Soenan Mas was uitgeweken naar Soerapati in Oost-Java.
Het leger van de Compagnie veroverde in 1706 de hoofdplaats Bangil, waarbij Soerapati dodelijk werd gewond. Hij overleed kort daarna.
Het volgende jaar moest ook Soenan Mas zich overgeven, die naar Ceylon werd verbannen.
Tot 1719 duurden de woelingen van de Soerapati-partij nog voort in Oost-Java.
Pakoe Boewono I werd in dat jaar opgevolgd door zijn zoon Amangkoerat IV.
Diens broers verzetten zich daartegen, waardoor de tweede Javaanse Successieoorlog begon
(1719-1723), waarbij de Compagnie de Soenan wist te handhaven.
In 1733 werd met de opgetreden nieuwe Soenan Pakoe Boewono II een nieuw verdrag gesloten, waarbij de Compagnie voor haar hulp aan zijn vader weer nieuwe voordelen bedong.
De rust, die in het begin van de achttiende eeuw, in het westen van Java heerste, maakte het mogelijk, dat Batavia en omstreken zich voortdurend kon ontwikkelen.
O.a. de suikercultuur nam in die streken zeer toe.
Het gevolg was, dat talrijke Chinezen zich op Java kwamen vestigen en voor zover zij geen middelen tot levensonderhoud hadden allerlei wandaden pleegden.
De Indische regering onder Gouv.-Gen. Valckenier wijdde te weinig aandacht aan deze volksgroep en werd ten slotte door een oproerige beweging onder de Chinezen verrast.
De Europese bevolking, soldaten en matrozen maakten zich ongerust en 9 oktober 1740 werden de Chinezen in Batavia bijna allen vermoord.
De opstand had zich intussen naar het oosten verbreid.
De Chinezen maakten zich meester van de noordkust van Java en in 1741 koos Mataram hun zijde. Het Nederlandsche fort te Kartasoera werd veroverd en de bezetting vermoord of gevangen genomen.
In 1742 bracht een krijgsmacht van de Compagnie, met hulp van de Madoerese regent
Tjakra- Ningrat, verbetering in de toestand.
De Soenan knoopte onderhandelingen aan.
De Chinezen verklaarden Pakoe Boewana II echter vervallen van de troon en riepen een kleinzoon van de verbannen Soenan Mas tot vorst uit.
Pakoe Boewono moest vluchten, riep de hulp van de Compagnie in, die na enige strijd de hoofdplaats veroverde en Pakoe Boewana in zijn macht herstelde.
Bij een verdrag van 1743 deed de vorst daarna afstand van de strandgewesten, van de oosthoek en van het resterend deel van Madoera.
De Compagnie kreeg het muntrecht en mocht voortaan de rijksbestuurder aanwijzen.
Voorts werden enige nieuwe verplichte leveringen bedongen.
De hoofdplaats van het rijk werd Soerakarta.
Pakoe Boewana erkende, dat hij zijn rijk alleen aan „de barmhartigheid en mededogendheid” van de Compagnie verschuldigd was.
Tjakra Ningrat, de helper van de Compagnie, was niet tevreden met de voor zijn hulp ontvangen beloning.
Hij wilde onafhankelijk vorst worden over enige gewesten in oost-Java en Madoera.
De Compagnie moest tegen hem optreden en ten slotte vluchtte Tjakra Ningrat naar Bandjermasin. Toen hij de Compagnie in handen viel werd hij naar de Kaap verbannen.
Onder Gouv.-Gen. Gustaaf Willem Baron van Imhoff (1743-1750) begon de 3de Javaanse
successieoorlog.
Tijdens de Javaans-Chinese onlusten had de Javaanse prins Mangkoe Negoro, bekend als Mas Said, zich verzet tegen Pakoe Boewono, toen deze steun zocht bij de Compagnie en zich in het landschap Soekawati als onafhankelijk heerser gevestigd.
De broer van den Soenan Mangkoe Boemi trad tegen hem op en ontving het landschap
Soekawati als beloning.
Op dit landschap werd echter ook aanspraak gemaakt door de rijksbestuurder Pringgalaja en toen de Soenan, gesteund door Van Imhoff, diens aanspraken erkende, week Mangkoe Boemi uit en stelde zich aan het hoofd van de ontevredenen.
Mas Said sloot zich bij hem aan.
In 1749 stierf Pakoe Boewono II.
De Compagnie erkende zijn zoon als Pakoe Boewono III als wettige vorst, niet krachtens erfrecht en geboorte, doch bij wijze van gunst van de Compagnie.
De Javaanse groten sloten zich echter voor het merendeel aan bij Mangkoe Boemi, die door hen als Soenan werd uitgeroepen.
Zo ontstond de 3de Javaanse successieoorlog (1749-1757) waarbij Mangkoe Boemi en Mas Said zich van een groot deel van Mataram meester maakten en later ook van een deel van de noordkust.
Toen ook Mas Said aanspraak maakte op de vorstentitel ontstond onenigheid tussen hem en Mangkoe Boemi, waardoor de Compagnie rust kreeg.
Onder Gouv. Gen. Mossel slaagde de Compagnie er tenslotte in onderhandelingen te openen met de opstandelingen.
Mangkoe Boemi onderwierp zich en kreeg in 1755 ongeveer de helft van het Mataramse rijk als leen van de Compagnie.
Mangkoe Boemi vestigde zich als Sultan Amangkoe Boewono te Jogjakarta.
Mas Said onderwierp zich in 1757 en werd als prins Mangkoe Negoro leenman van de Soenan over de Mangkoe Negorose landschappen.
Intussen waren in 1750 ook in Bantam ernstige onlusten uitgebroken.
Toen in 1749 de Sultan Zeinoel Arifin krankzinnig werd, werd met voorbijgang van de wettige troonopvolger Pangeran Goesti een neef van Ratoe Fatima de echtgenote van de sultan, onder goedkeuring van Van Imhoff als opvolger erkend met Ratoe Fatima als regentes.
De bevolking van Bantam onder Kjahi Tapa verzette zich hiertegen en kwam in opstand.
Gouverneur-Generaal Mossel, die in 1750 was opgetreden, wijzigde de politiek van zijn voorganger echter geheel.
Hij erkende de oude dynastie.
Ratoe Fatima en haar neef werden opgelicht en verbannen en Pangeran Goesti, die in 1749 naar Ceylon was gebracht, werd als wettige troonopvolger erkend.
In 1753 werd met hem een verdrag gesloten, waarbij Bantam een leen van de Compagnie werd en de Lampongs geheel aan haar werden afgestaan.
Kjahi Tapa bleef vijandig en viel met zijn benden zelfs het gebied van Batavia binnen, doch moest
tenslotte zijn verzet opgeven.
In de oosthoek van Java was het nog woelig, doch in 1772 waren ook daar de opstandelingen
bedwongen.
Op Java was overal de rust hersteld, de Javaanse vorsten waren leenmannen van de Compagnie en heel Java was onder haar invloed.
De kracht van de Compagnie was intussen hoe langer hoe meer afgenomen.
In haar gebied buiten Java werd zij op verschillende plaatsen door de Engelsen verdrongen en in het algemeen ontbrak het haar aan voldoende geldmiddelen om zich nog krachtig te doen gelden.
Op Java bleef het echter rustig.
Alleen in de Vorstenlanden had men voortdurend twisten tussen de Soenan, de Sultan en Mangkoenegoro.
In 1792 kwam hieraan een einde, waarbij Mangkoenegoro verkreeg, dat hij zijn gebied niet langer in leen van de Soenan zou hebben, doch onafhankelijk van de Soenan zou zijn.
Van de laatste levensdagen van de Compagnie valt voor Java weinig belangrijks te vermelden.
Na de omzetting van de republiek in het Koninkrijk Holland, werd Maarschalk Daendels als
Gouverneur-Generaal uitgezonden.
Deze krachtige figuur, die als eerste taak had, Java in staat van verdediging te brengen en de
toestanden, ook wat de corruptie van de ambtenaren betreft te verbeteren, moest al spoedig tegen Bantam optreden.
Toen Daendels bij de uitvoering van de verdedigingswerken aan de Meeuwenbaai te weinig medewerking van de Sultan en diens rijksbestuurder kreeg, liet hij door Dupuy de uitlevering van die rijksbestuurder vragen.
Dupuy en zijn gevolg werd echter in de Kraton vermoord.
Daendels zelf veroverde daarop de Kraton, de Sultan werd verbannen, de rijksbestuurder gefusilleerd, en een gedeelte van het rijk, waaronder de Lampongs, werd bij het Nederlandse gebied gevoegd.
Het bleef in Bantam nog verder onrustig, maar pas in 1813 werd aan het sultanaat voor goed een einde gemaakt.
In Cheribon was het in het begin van de negentiende eeuw ook voortdurend onrustig door het
wanbeheer van de vorsten, kwesties over troonsopvolging enz.
In 1806 moest een opstand worden gedempt.
In 1809 vond Daendels het nodig de toestand beter te regelen.
De sultans werden ambtenaren en een deel van hun gebied ingelijfd.
Onder Raffles werd aan het Sultanaat geheel een einde gemaakt, doch pas in 1818 was het land voor goed in rust.
Ook tegen de Vorstenlanden moest Daendels optreden.
Hij begon met het vernederende ceremonieel af te schaffen, dat voor de Nederlandse vertegenwoordigers aan Javaanse hoven was ingevoerd.
Om een einde te maken aan enige erfopvolgingskwesties, eiste hij de uitlevering van enige prinsen en trok, toen een van die prinsen met behulp van den Sultan van Jogjakarta wist te ontwijken, tegen de Sultan op.
Sultan Sepoeh deed in 1812 afstand van de troon ten behoeve van zijn zoon en werd verbannen.
De afstand van Kedoe werd bedongen.
Daendels trad ook verder met grote kracht op.
De gedwongen koffiecultuur werd uitgebreid en allerlei hervormingen op het gebied van bestuur en rechtswezen werden uitgevoerd.
Veel hadden de Javanen te lijden onder de aanleg in herendienst van de grote weg van het westen naar het oosten van Java, en andere wegen en van de bouw van versterkingen in herendienst. Duizenden Javanen zijn daarbij van ziekte en ellende omgekomen. Om aan geldmiddelen
te komen, ging Daendels over tot de verkoop van uitgestrekte landgoederen in de omstreken van
Batavia en elders op Java op grote schaal.
In het klein was verkoop van zulke uitgestrekte landgoederen reeds in de Compagniestijd voorgekomen, maar het grootste deel der Javaanse particuliere landerijen is in de tijd van Daendels en Raffles afgestaan.
De Engelsen kwamen op Java, toen Daendels dit eiland reeds verlaten had.
Hij werd door Janssens opgevolgd, die Java op 17 September 1811 na een regering van een viertal maanden aan de Engelsen moest overgeven.
Het Engelse tussenbestuur heeft belangrijke hervormingen tot stand gebracht.
Raffles brak geheel met het stelsel van verplichte leveringen en voerde de landrente in.
Voor niet-grondbezitters een huistaks.
De macht van de Inlandse hoofden werd ingeperkt, het rechtswezen werd verbeterd enz.
Alleen de koffiecultuur, die grote inkomsten opleverde, bleef gehandhaafd.
Vooral in de Preanger was die van belang.
Ook de macht van de Inlandse vorsten werd verder beknot.
Aan het Sultanaat van Cheribon werd als gezegd een einde gemaakt.
Met Soerakarta werd in 1811 een nieuw verdrag gesloten, waarbij enige nieuwe voordelen werden bedongen, doch de landafstand, waartoe de Soenan zich onder Daendels had verbonden, werd te niet gedaan.


Creatie datum: 10/04/2019 11:50
Categorie: Index encyclopedie - J
Pagina gelezen 408 keren


Reacties op dit artikel

Er heeft nog niemand gereageerd.

Nieuws van den dag uit het voormalig Nederlandsch-Indië