Zoek
 
Sluiten
INDISCHE ENCYCLOPEDIE
Indopedia
INDOPEDIA
De Indische Encyclopedie
 

Index encyclopedie

Tel. / adres boeken

Recepten, Gerechten

Djamu (Jamu) - medicinale kruiden , planten en vruchten. Ziekten & Kwalen

Indische Boekrecensies

Verhalen

Bladmuziek Krontjong

Bezoekers vanaf jun. '09

 18346109 Bezoekers

 13 Bezoekers online

Indische culturele agenda / kalender
rss Deze artikelen zijn ook met een RSS reader te lezen. :
https://www.indopedia.nl/data/nl-articles.xml

Koloniale Politiek.

Onder „Koloniale Politiek” brengt men de vraagstukken, die ten gevolge van het eigenaardig karakter van de koloniën als zodanig door andere gegevens beheerst worden dan de gewone.
Het bijzonder karakter van de koloniën wordt in de eerste plaats bepaald door den gezagsband met het moederland.
Naarmate die band losser is, vertonen minder vraagstukken koloniale kleur.
Geldt het van het moederland ver af gelegen tropische koloniën, welke niet zelfbesturend zijn, dan neemt veelal het aantal vraagstukken van koloniale kleur toe en worden deze daarbij ingewikkelder gemaakt door rasverschil en de maatschappelijke gevolgen daarvan.
De koloniale politiek heeft inderdaad rekening te houden met voortdurende verandering en verwording van verhoudingen in de koloniën zelf.
Hiertoe werkt vanzelf mee de zorg van het Moederland voor het welzijn van de kolonie, want een welvarende kolonie is ook een belang voor het moederland.
Maar door het koloniaal bestuur van het moederland wordt, gewild of ongewild, een versnelde ontwikkeling van de koloniale bevolking bevorderd, waardoor deze op den duur en althans in haar hogere lagen, deel wenst te krijgen aan de beslissing over haar belangen, dan wel deze in eigen handen wil nemen.
Het is daarbij de moeilijke taak van de koloniale politiek om een vreedzame oplossing te vinden tussen de onvermijdelijke drang bij de meer ontwikkelden naar volledig zelfbestuur, de mogelijkheid daartoe, gegeven het algemeen aspect van de koloniën en de moederlandse belangen daarbij gemoeid.
Speciaal in de tropische koloniën met haar heterogene bevolking, zal de grote meerderheid van de bevolking, n.l. de Inheemse, veelal de ontwikkeling nog missen voor zelfbestuur in volle omvang, zodat de zorg voor de belangen van de minderheden in zo’n maatschappij, die daarin juist veelal belangrijke factoren voor de ontwikkeling van de koloniën vormen (de Europeanen en Vreemde Oosterlingen), tot behoedzaamheid manen.
Voor Brits-Indië schiep men de diarchie, een gesplitst bestuur, waarbij een aantal onderwerpen behandeld worden door de Provinciale Gouverneur met zijn aan de Raad verantwoordelijke ministers en het overig deel onder leiding van de Gouverneur met zijn ambtelijke raadslieden blijft.
De Filippijnen hebben sinds 1916 een bijna volledig zelfbestuur. Volledige onafhankelijkheid schijnt aanstaande.
Wat nu aangaat het Nederlandse deel van Azië, was vóór 1848 in Nederland het Opperbestuur „bij uitsluiting” bij de Koning; na 1848 werd medewerking van de Nederlandse wetgever mogelijk en soms vereist.
In Indië bestond slechts strenge centralisatie van gezag in de persoon van den Gouverneur-Generaal.
Pas sedert 1903 is, daargelaten een van ouds bestaande autonomie van de desa, een bescheiden decentralisatie en medezeggenschap van de ingezetenen verleend geworden (lokale raden).
De wet van 1916 schiep daarbij een centraal-vertegenwoordigend lichaam in de vorm van de Volksraad, die eerst nog slechts als adviserend College optrad maar door de jaarlijkse behandeling van de Indische begroting, dadelijk grote invloed op de gang van zaken verwierf.
De Grondwetsherziening van 1922, neergelegd in de twee, de koloniën betreffende artikelen 61 en 62 van de Grondwet, wilde wetgeving en bestuur ten aanzien van de inwendige aangelegenheden zoveel mogelijk leggen in handen van in Indië zelf zetelende lichamen en overheden en aan de aldaar gevestigde bevolking een zo groot mogelijke invloed op en aandeel in de samenstelling van die lichamen toekennen.
De hierop voortbouwende herziene staatsregeling van 1925 perkte dan ook, op het voetspoor van de herziene Grondwet van 1922, de wetgevende bevoegdheid van de Koning ten aanzien van Ned.-Indië in tot bepaald aangewezen onderwerpen van meer imperialen aard, zoals de defensie, de uitvoering van traktaten, enz.; de Raad van Indië werd teruggebracht tot een louter adviserend lichaam, de Volksraad daarentegen werd van adviserend College verheven tot een medewetgevend lichaam voor de inwendige aangelegenheden en een medewerkend lichaam inzake de begroting.
Toch is een sterk contrast met het moederland bewaard gebleven.
De wetgevende macht moet de staatsregeling van Indië vaststellen en kan overigens elk onderwerp regelen als daaraan behoefte blijkt te bestaan. Koning en wetgevende macht in Nederland hebben verder een repressief toezicht op de Indische wetgeving (schorsings- en vernietigingsrecht). Bij conflict tussen de Gouverneur-Generaal en Volksraad inzake wetgeving, kan bij algemene maatregel van bestuur de oplossing gegeven worden (art. 89, 90 I.S.).
De verschillende hoofdstukken van de begroting behoeven, als tussen Gouverneur-Generaal en Volksraad overeenstemming is verkregen, nog slechts goedkeuring bij de Nederlandse wet.
Maar bij geschil tussen Gouverneur-Generaal en Volksraad, dan wel indien de Nederlandsche wetgever zich met de in Indië vastgestelde
begrotingsdelen niet kan verenigen, geschiedt vaststelling bij de wet.
De Kroon kan de Gouverneur-Generaal „aanwijzingen” geven aangaande zijn te volgen gedragslijn, welke hij heeft te volgen en ingevolge de hoeksteen van ons staatsrecht, neergelegd in de regel: de Koning is onschendbaar, de Ministers zijn verantwoordelijk, is tenslotte voor de gang van zaken in Indië de Minister van Koloniën verantwoordelijk tegenover het Nederlandse Parlement.
Steunt de Minister van Koloniën de Gouverneur-Generaal en keurt het Parlement dit af, dan zal de Minister van Koloniën aftreden, tenzij tot Kamerontbinding wordt besloten.
Steunt de Minister van Koloniën de Gouverneur-Generaal niet, dan zal deze ontslag krijgen of aftreden.
Zo heeft de Nederlandse koloniale politiek in de loop der tijden en rekening houdend met de evolutienoodzaak, geleid van absolute zeggenschap van de Kroon over de overzeese gewesten, na 1848 tot toenemende medezeggenschap van het Nederlandse Parlement (begroting, wetgeving) en na 1922 tot verlegging van het zwaartepunt van de behartiging van de inwendige aangelegenheden van het Plein naar het Buitenzorg, met toenemende medezeggenschap van de ingezetenen, ook van de Inheemsen in Indië (decentralisatie, bestuurshervorming, centraal vertegenwoordigend lichaam), waarbij echter voor een sterk contact met het moederland is zorg gedragen.


Creatie datum: 15/01/2020 10:06
Categorie: - K
Pagina gelezen 182 keren


Reacties op dit artikel

Er heeft nog niemand gereageerd.

Nieuws van den dag uit het voormalig Nederlandsch-Indië