Zoek
 
Sluiten
INDISCHE ENCYCLOPEDIE
Indopedia
INDOPEDIA
De Indische Encyclopedie
 

Index encyclopedie

Tel. / adres boeken

Recepten, Gerechten

Djamu (Jamu) - medicinale kruiden , planten en vruchten. Ziekten & Kwalen

Indische Boekrecensies

Verhalen

Bladmuziek Krontjong

Bezoekers vanaf jun. '09

 18381738 Bezoekers

 31 Bezoekers online

rss Deze artikelen zijn ook met een RSS reader te lezen. :
https://www.indopedia.nl/data/nl-articles.xml

Leger.

Het jaar 1830 kan het geboortejaar genoemd worden van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger als zelfstandig geheel.
In dit jaar werd bij Besluit van G.G. Van den Bosch de formatie van dit leger vastgesteld.
Voordien maakte de troepenmacht in N.-I. een deel uit van het Nederlandse Leger en ressorteerde als zodanig onder de Minister van Oorlog.
Het deel van de troepenmacht in N.I. - aangevuld met een Inlands contingent - moest worden beschouwd als te zijn „uitgeleend” aan de Minister van Koloniën.
De Legercommandant in N.I. stond in dezelfde verhouding tot Gouverneur-Generaal en Minister van Oorlog als thans de Commandant van de Zeemacht, staat tot den Gouverneur-Generaal en Minister van Defensie.
Deze toestand was ontstaan, toen - na de teruggave van onze koloniën -door een militaire commissie in Nederland een organisatie was vastgesteld voor de weermacht in N.I., met een totale sterkte van 5125 Europeanen en 5350 Inlanders.
De hiervoor benodigde Nederlandse troepen zouden als een „corps d’armée” van het Nederlandse Leger in N.I. worden gedetacheerd.
Een deel van deze troepen de z.g. „Indische Brigade” kwam begin 1816 te Batavia aan.
Tot het jaar 1819 heerste een schromelijke verwarring in de organisatie van het leger.
In dit jaar werd op voorstel van de legercommandant Lt.-Gen. De Koek de eerste definitieve organisatie vastgesteld (Besluit van de G.G. van 3 Juli 1819 No. 2).
De sterkte werd bepaald op 645 officieren, 6421 Europeanen en 5805 Inlanders. Gedurende de Java-Oorlog (1825-1830) werd uit Nederland een aanvulling gezonden van 3 bataljons infanterie, 150 man ruiterij en artilleristen, totaal 3145 man.
Deze z.g. „Expéditionnaire Afdeling” kwam in 1827 te Semarang aan.

Eind 1829 werd nogmaals een versterking gezonden n.l. een korps rijdende jagers onder commando van Lt.-Kol. Vermeulen Krieger.
Dit korps, tellend 920 man, kwam in N.I. aan na het einde van de
Javaoorlog.
Na de reorganisatie van 1830 vormde dit korps het 1e Bataljon.
(Zie voor nadere bijzonderheden betreffende bedoelde periode:
P. J. F. Louw: De Java-Oorlog, Deel I, hoofdst. VIII).
Het G.B. van 4 December 1830, regelend de formatie van het N.I. Leger, bracht de feitelijke scheiding tussen het leger in Nederland en dat in N.I. teweeg (hoewel dit nimmer wettelijk werd vastgelegd).
De verhoudingen t.a.v. het Departement van Oorlog in Nederland vervielen, terwijl eigen reglementen, voorschriften, algemene orders voor het leger e.d. werden vastgesteld.
Bij genoemd G.B. werd het leger ingedeeld in 8 mobiele korpsen en een algemeen depot.
Elk mobiel korps werd samengesteld uit 1 bataljon infanterie, 1 compagnie artillerie (à 4 stukken berggeschut) en 1 compagnie cavalerie.
Twee korpsen zouden te Batavia worden gelegerd, waarvan ten allen tijde een korps gereed stond voor uitzending op expeditie.
De overige korpsen waren verspreid over geheel Java, teneinde elke oproerige beweging op Java in de kiem te kunnen smoren. Garnizoensplaatsen waren : Batavia, Semarang, Soerabaja, Ngawi, Salatiga, Jogjakarta, Soerakarta, Bagelen en Banjoemas.
Het algemeen depot was bestemd voor het leveren van de troepen voor de bezettingen van de forten en de detachementen gelegerd op de Buitengewesten.
Voorzien was in een totale sterkte van het leger van 640 Officieren (waarvan 37 Inlanders) en 12.905 onderofficieren en minderen (waarvan 5699 Europeanen en 7206 Inl.).
Hiervan waren op de Buitengewesten gelegerd: 123 Officieren en 3966 onderofficieren en minderen.
Teneinde in oorlogstijd over een grotere sterkte te kunnen beschikken werd de oprichting voorgesteld van Inlandse hulptroepen (Pradjoerits en Barisans), terwijl voor de versterking van het Europese element opgericht zouden worden „schutterijen”.
In elk regentschap zou een soort Inlandse militie worden gevormd, bestaande uit infanterie en cavalerie.
Bij G.B. van 12 Februari 1831 werd de oprichting vastgesteld van:
Pradjoerit-korpsen (Pradjoerit — Jav. strijder, krijgsman).
Bij de vaststelling van de formatie van die korpsen in 1843 werd voorzien in de oprichting van 58 detachementen Pradjoerits, verspreid over de Preanger en 16 residenten op Java.
De sterkte werd vastgesteld op 38 Inlandse officieren en 1972 minderen. Een aantal Europese onderofficieren was als instructeurs toegevoegd.
Hoewel oorspronkelijk bedoeld voor de versterking van het leger in oorlogstijd, werd al spoedig de doelstelling gewijzigd en werden deze korpsen uitsluitend bedoeld voor de handhaving van orde en rust in het betreffende ressort.
Bij de oprichting van het korps Gewapende Politie in 1897 werd dit instituut van Pradjoerits opgeheven.
Bij Besluit van 12 Februari 1831 werd de Raad van Soerabaja aangeschreven om over te gaan tot de oprichting van:
Barisan-korpsen op Madoera.
Barisan = oorspronkelijk een afdeling gecommandeerd door een 2de luitenant en bestaande uit 2 tot 5 sergeant-schappen; thans verzamelnaam voor de gezamenlijke korpsen van Madoera.
Als gevolg van voornoemd Besluit werden contracten gesloten met de Sultan van Bangkalan, de Sultan van Soemenep en de Panembahan van Pamekasan.
De sterkte van de korpsen van Bangkalan en Soemenep werd bepaald op 1 bataljon infanterie, 1 compagnie artillerie en 1 compagnie cavalerie.
De sterkte van het korps Pamekasan zou de helft van de beide genoemde korpsen bedragen.
Voor leiding en instructie werden aan elk korps toegevoegd 1 officier en 3 (c.q. 2) onderofficieren-instructeur.
In 1882 werd bepaald, dat de Barisan uitsluitend uit infanterie zouden bestaan.
Nadat Pamekasan, Soemenep en Bangkalan (resp. 1858, 1883 en 1885) onder rechtstreeks bestuur waren gekomen bleven de korpsen als
gouvernementsinstellingen behouden.
Hierdoor steeg de militaire waarde van de korpsen aanzienlijk.
Voorts werden de korpsen van Pamekasan, Soemenep en Bangkalan op gelijke sterkte gebracht, t.w. een staf en 3 compagnieën ter sterkte van 14 officieren en 535 minderen (de thans nog bestaande toestand).
Bij G.B. van 19 September 1929 (No. 26) werd het nieuwe reglement voor de Barisan van Madoera vastgesteld.
Als doelstelling is aangegeven:

1.handhaven van rust en orde op Madoera, indien de gewone politiemiddelen te kort schieten;
2.versterking van de legertroepen in tijden van oorlog of bij expedities;
3.aangewend voor uitvoeren van bewakings- en geleidediensten en ingedeeld voor troepenoefeningen al dan niet in verband met onderdeden van het leger.

De Barisan gaan een vrijwillig dienstverband aan en komen op: in de maanden november t/m april tweemaal per week, in de overige maanden vijfmaal per week.
Ze ontvangen een maandelijks traktement en bovendien voor elke dag, dat zij onder de wapenen zijn een vergoeding voor voeding (ƒ0,44).
De opleiding van de Barisan-officieren heeft plaats te Pameksan.
Na een opleiding van 4 jaren wordt officiersexamen afgelegd, waarna bij vacature benoeming volgt tot 2de Luitenant (benoeming geschiedt door de G.G. op voordracht van de legercommandant).
Herhaaldelijk is van de diensten der Barisan gebruik gemaakt bij expedities, o.m. Palembang (1833), Padri-oorlog (1835-1837),
de Bali-expedities (1846, 1848, 1849), Borneo (1850-1855), le en 2e Atjeh-expeditie (1873-1877).
(Zie voor nadere bijzonderheden: Ind. Militair Tijdschrift 1931, No. 2).
In vredestijd ressorteren de Barisans onder het Burgerlijk Bestuur en komen in oorlogstijd onder de directe bevelen van de legercommandant.
Onder de hulptroepen, bestemd voor de versterking van het leger neemt ook thans nog een plaats in:
het Legioen van Mangkoe Negoro.
Reeds tegen het einde van de 18e eeuw werd door het gouvernement aan het Hoofd van het Mangkoe-Negoro’se Huis een jaarlijkse toelage verstrekt voor het onderhouden van een beperkte krijgsmacht.
Na enkele malen te zijn ontbonden en weder opgericht, bestaat dit korps heden uit een staf en anderhalf bataljon infanterie, met een totale sterkte van 32 Inlandse officieren en 925 man.
Voor leiding en instructie zijn toegevoegd 1 officier en
3 onderofficieren-instructeur.
In vredestijd staat het korps onder toezicht van de Gouverneur van Soerakarta, in oorlogstijd komt het onder de directe bevelen van de legercommandant.
De bestemming voor oorlogstijd is in hoofdzaak optreden als treingeleider bij de treinen van de onderdelen van het Veldleger.
Na 1830 kwamen herhaaldelijk wijzigingen in sterkte en samenstelling van het leger tot stand.
De belangrijkste daarvan waren:
de formatie van 1840.
De samenstelling werd gebracht op: 12 veld-bataljons infanterie, 8 compagnieën cavalerie, 15 compagnieën artillerie en 6 compagnieën genie (sappeurs).
Voorts een Algemeen Depot, bestaande uit 7 afdelingen
garnizoensinfanterie.
De totale legersterkte werd bepaald op: 879 Officieren (waarvan 59 Inl.) en 19.115 onderofficieren en minderen (t.w. 6.090 Eur., 763 Amb., 1.502 Afrikanen en 10.760 Inl.).
Op de Buitengewesten waren daarvan gelegerd: 168 off. en 6.450 onderoff. en minderen.
De formatie van 1854 (K.B. van 2 Aug. 1853).
De samenstelling gaf het volgende beeld te zien:
infanterie: 16 veldbataljons, 9 bataljons, 5 half-bataljons en 6 compagnieën pradjoerits; artillerie: 21½ batterij veld-, 5 batterijen berg-, en 7 compagnieën vestingartillerie; 8 compagnieën cavalerie; 4 compagnieën genie (sappeurs en mineurs).
Garnizoensbataljons waren gevestigd te Batavia, Sumatra’s westkust, Bangka, Palembang, Molukken en Celebes; garnizoens-compagnieën te Riouw, Benkoelen, westerafdeling van Borneo, zuider- en oosterafdeling van Borneo; detachementen te Timor, Flores en de Lampongs.
Aan artillerie waren op de Buitengewesten voorts bestemd: 1 bergbatterij voor Sumatra’s westkust en 2 artillerie garnizoenscompagnieën (1 cie. bestemd voor Bangka, Palembang, Benkoelen en Riouw en 1 cie. voor Borneo, Celebes, Timor en de Molukken).
De totale sterkte zou bedragen: 1.226 officieren (waar onder 120 Inl.), 26.589 onderofficieren en minderen (t.w. 10.217 Eur, 1.744 Amb. en 14.628 Inl.).
Hiervan in de Buitengewesten: 222 officieren en 7.309 onderofficieren en minderen.
Bovenbedoelde organisatie is nimmer geheel tot uitvoering gekomen.
De formatie van 1882 (K.B. van 26 Jan. 1882 No. 13) gaf als samenstelling aan: infanterie: 18 veldbataljons, 4 depotbataljons en 5 subsistentenkaders; artillerie: 4 batterijen veld-, 4 batterijen bergen 7 compagnieën vestingartillerie; 1 regiment cavalerie (à 4 eskadrons) en een depoteskadron en 2    compagnieën genie.
Voor de bezetting van de Buitengewesten waren bestemd: 9 garnizoensbataljons, 5 garnizoenscompagnieën en een 4-tal detachementen infanterie; 9 compagnieën artillerie; een detachement cavalerie (Makassar) en een detachement genie (Atjeh).
De totale sterkte van het Leger bedroeg: 1.431 officieren 28.386 onderofficieren en minderen (t.w. 13.402 Eur., 970 Amb. en 14.014 Inl.). Hiervan waren op de Buitengewesten gelegerd: 337 officieren en 10.926 onderofficieren en minderen).
In 1907 kwam de oprichting tot stand van de z.g. „Gemengde Brigade”.
In oorlogstijd zou de Brigade zijn samengesteld uit: 4 bataljons infanterie, ½ eskadron cavalerie, 1 afdeling artillerie (à 2 batterijen), en 2 sectiën genietroepen (later aangevuld met 1 mitrailleurcompagnie). De onderdelen van elke Brigade waren gelegerd in een van de 4 „Militaire Afdelingen”, waarin Java toen was verdeeld.
De formatie van 1915 (K.B. van 6 Maart 1915, No. 55) gaf, voor wat betreft de belangrijkste onderdelen, een samenstelling aan infanterie van: 21 veldbataljons, 4 mitrailleur compagnieën, 1 afdeling wielrijders en het korps marechaussee, voorts t.b.v. de bezetting van de buitengewesten: 10 garnizoensbataljons en 2 garnizoenscompagnieën; aan artillerie: 2. afdelingen veld- (à 2 batterijen), 1 afdeling (2 batterijen) bergartillerie, voorts 1 bataljon vestingartillerie en 6 compagnieën id. ; 4 veldeskadrons- en 1 afdeling lijfwacht-cavalerie; 3 veldcompagnieën en 1 spoorweg- en telegraaf compagnie genie.
Inmiddels was in 1914 opgericht de „Proefvliegtuigafdeling”.
De totale sterkte bedroeg 1.292 officieren, 34.592 onderofficieren en minderen (t.w. 11.672 Eur., 4.697 Amb. en 18.223 Inl.).
Hiervan waren gelegerd op de Buitengewesten: 408 officieren en 12.265 onderofficieren en minderen.
In 1917 kwam een belangrijke wijziging tot stand, n.l. de afkondiging van het Dienstplichtbesluit voor Nederlands-Indië, regelend de Dienstplicht voor Europeanen.

De formatie van 1922 (K.B. 3 Oct. 1922, No. 47) wederom gewijzigd in 1923 bij K.B. dd. 25 Aug. kenmerkt zich door de vervanging van het Brigadeverband door het Divisie- en Regimentsverband.
Deze organisatie ging gepaard met een nieuwe territoriale indeling van Java in twee militaire afdelingen.
De infanterie op Java omvat volgens dit K.B. : 6 regimenten elk à 3 bataljons naast 2 bataljons buiten regimentsverband; voorts o.m. 4 mitrailleur-compagnieën en 1 compagnie vesting mitrailleurs; 1 afdeling ordonnans-wielrijders en 1 compagnie strijders-wielrijders; en het korps Marechaussee; voorts t.b.v. de bezetting van de buitengewesten: 12 garnizoensbataljons en 1 garnizoenscompagnie.
De artillerie was ingedeeld in 2 regimenten, elk van 3 afdelingen à 2 batterijen, 2 batterijen van 12 cm. houwitsers; 1 compagnie kustartillerie.
De cavalerie zou bestaan uit 2 half-regimenten (elk van 2 eskadrons) en een peloton ordonnansen, de genie uit het bataljon genietroepen (2 veldcompagnieën, 1 technische compagnie, 1 depotcompagnie).
Voor de luchtstrijdkrachten was voorzien in de oprichting van 2 vliegtuiggroepen elk van 3 vliegtuigafdelingen (à 6 vliegtuigen), (tot op het huidige ogenblik zijn echter slechts in het geheel 3
vliegtuigafdelingen opgericht).
De totale sterkte bedroeg 1.447 officieren en 35.048 onderofficieren en minderen (w.o. 6.627 Eur., 3.218 Abt., 5.541 Menadonezen, 17.771 Inl.)
Op de Buitengewesten waren hiervan gelegerd: 414 officieren en 11.726 onderofficieren en minderen.
De formatie van 1925 (gewijzigd bij K.B. van 23 Mei 1927, is de thans nog van kracht zijnde formatie (opgenomen als Alg. Order voor het N.I. Leger No. 13), hoewel tal van wijzigingen hierop van kracht zijn geworden.
De sterkte volgens het Besluit van 1925 zou de sterkte bedragen: 1.274 officieren en 31.988 onderofficieren en minderen.
In de toekomst zal de vredesorganisatie van het leger worden geregeld bij Algemene Maatregel van Bestuur, terwijl vervolgens de formatie, met de vredesorganisatie als grondslag, bij Regeringsverordening wordt vastgesteld.

Formatie van het Kon. Ned. Ind. Leger.
Volgens de formatie van 1925, omvat het leger de navolgende staven, wapens, dienstvakken, korpsen en instellingen: Staf van de Gouverneur-Generaal; Departement van Oorlog; Generale Staf; Gewestelijke Staf; Plaatselijke Staf; de Infanterie; de Cavalerie; de Artillerie; de Genie; de Luchtvaartafdeling; de Intendance; de Militaire Administratie; de Militair Geneeskundige Dienst; de Topografische Dienst; Dienstplichten Reservepersoneel; de Permanente Militaire Spoorwegcommissie; het Korps Ambtenaren; het Korps Schrijvers en Staf schrijvers; de Hoefsmidschool; het Remonte Depot; de Militaire Arrest- en Provoosthuizen en het Instituut van Legerpredikanten en Aalmoezeniers.
Aan het hoofd van het Leger staat een Luitenant-Generaal met de titel van Commandant van het Leger en Hoofd van het Departement van Oorlog.
Van de voornaamste onderdelen volgt hieronder de samenstelling:
het Departement van Oorlog (in 1867 ontstaan uit de samenvoeging van commando van het Leger en het Militair Departement).
Het D. v. O. omvat 11 afdelingen, t.w.: I. Secretariaat; II. Hoofdkantoor Infanterie; III. Hoofdkantoor Artillerie; IV. Hoofdkantoor Genie; V. Hoofdkantoor Militaire Administratie; VI. Hoofdkantoor Militair Geneeskundigen Dienst; VIIA. Hoofdkantoor Generale Staf; VII B. Hoofdkantoor Intendance; VIII. Hoofdkantoor Cavalerie; IX. Hoofdkantoor Topografische Dienst; X. Hoofdkantoor Dienstplicht- en Reserve personeel; XI. Hoofdkantoor Militair Diergeneeskundigen Dienst.
Generale Staf (ingesteld bij K.B. van 16 Augustus 1873; ontstaan uit het in Juni 1873 opgerichte „Bureau voor krijgstoerustingen op Noord-Sumatra” - Atjeh -), bestaande uit het Hoofdkantoor (1 Generaal-Majoor of Kolonel, Chef van de Gen. St. tevens Inspecteur v/d Militaire Luchtvaart, voorts 2 Luitenant-Kolonels of Majoors; 1 Majoor of Kapitein (attaché militaire) en 6 à 7 Kapiteins van de Gen. St. en 1 à 2 Kapiteins van een van de wapens) ; den Gewestelijke Dienst (2 Luitenant-Kolonels of Majoors en 2 Kapiteins van den Gen. St. ingedeeld bij de gewestelijke staven in de Militaire Afdelingen op Java) en het Centraal Depot van Reglementen.
Gewestelijke Staf (2 generaal-majoors, commandanten van de Ie en 2e Militaire Afdeling op Java;
1 Kolonel, militaire commandant van Atjeh en Onderhorigheden;
2 Kolonels of Luitenant-Kolonels militaire commandanten onderscheidenlijk van Sumatra’s westkust en Tapanoeli en van Celebes en Manado voorts de in vorig lid bedoelde Officieren van de Gen. Staf en voorts 6 Kapiteins of Luitenants) ;
Plaatselijke Staf (3 Luitenant-Kolonels, plaatselijke commandanten van Batavia, Bandoeng en Tjimahi, benevens 10 luitenants of onderluitenants - plaatselijke adjudanten, t.w. 2 te Batavia en voorts te Bandoeng, Tjimahi, Meester-Cornelis, Malang, Magelang, Soerabaja, Padang en Koetaradja).
Het wapen van de Infanterie omvat: de Staf (Hoofdkantoor), de
Veld-infanterie; de marechaussee-bataljons op Java (opgericht in 1916, thans 2 mar. bataljons op Java) ; de Afdeling Wielrijders (in 1902 is bij wijze van proef opgericht de Afdeling Ordonnans Wielrijders, in 1913 in de normale formatie opgenomen; de afdeling Wielrijders-strijders 1919 in de normale formatie opgenomen, thans samengevoegd tot één afdeling) ; het Korps Marechaussee (in 1890 te Atjeh opgericht, in 1913 in de formatie van de Infanterie opgenomen; thans ingedeeld in 5 divisies à 12 brigades en gelegerd in Atjeh en Onderhorigheden) ; de Garnizoens-infanterie, 4 Subsistentie-kaders (te Batavia C., Soerabaja, Bandoeng en Koetaradja, de depotbataljons en de Kaderschool (te Magelang).
Het wapen van de Cavalerie omvat de Staf (Hoofdkantoor),
de Veld-eskadrons, de Peletons Ordonnansen en het Depot van de Cavalerie (waarbij de Kaderschool).
Het wapen van de Artillerie bestaat uit: de Staf (Hoofdkantoor en Commissie van Proefneming) de artillerietroepen; en de Dienst van het Materieel van de Artillerie en van de Artilleriewerkplaatsen (omvattende de Directie van het Materieel, de Artillerie-constructiewinkel, de Pyrotechnische Werkplaats, de Projectielfabriek, de Werkplaatsen voor Draagbare Wapenen, de Gasdienst (Gasschool en Gaslaboratorium) en de Korpsen Magazijnmeesters, Conducteurs, Vuurwerkers, Geweermakers, Artilleriewerklieden.
Tot het Wapen van de Genie behoren: de Staf (Hoofdkantoor, Gewestelijke en Plaatselijke Genie-dienst en Dienst bij de Algemene Pakhuizen!; de Bataljons Genietroepen en de Automobielcompagnie (in de formatie opgenomen in 1918, ontstaan uit de in 1911 opgerichte militairen lastautodienst).
De Luchtvaartafdeling (bij K.B. van 10 Jan. 1922 No. 65 in de normale formatie opgenomen; in 1914 was opgericht een Proefvliegtuig-afdeling) ; zie voor nadere bijzonderheden het Ind. Militair Tijdschrift 1929 blz. 381 e.v.), bestaat uit de Staf, de Vliegdienst (Commando, 3 vliegtuigafdelingen en de Vliegschool) ; de Waarnemers-school; de Fototechnische Dienst; de Vlieg-medische Dienst; de Transportdienst, de Werkliedencompagnie; den Technische Dienst en de Magazijn dienst.
Het Dienstvak van de Intendance (in 1913 een afzonderlijk dienstvak geworden; voordien samengevoegd met Militaire Administratie) bestaat uit Hoofdkantoor; de Directie van het Materieel, den Gewestelijke Dienst van de Magazijnen van kleding en uitrusting; de Militaire Bakkerij; de Militaire Wasserij en de Korpsen Magazijnmeesters, Conducteurs en Kleer- en Schoenmakers.
De Militair Geneeskundige Dienst omvat:    het Hoofdkantoor; het
Korps Officieren van Gezondheid; het Korps Militaire Apothekers; het Korps Militaire Apothekersassistenten; de Hospitaaldienst; het Scheikundig Laboratorium en het Algemeen Magazijn van Geneesmiddelen.

De Militair Diergeneeskundige Dienst omvat het Hoofdkantoor; het Korps Militaire Paardenartsen en het Korps Militaire Paardenverplegers.
De Topografische Dienst (in 1907 een zelfstandige dienst geworden; tevoren ingedeeld bij de Generale Staf als „Topografisch Bureau en Militaire Verkenningen”) is samengesteld als volgt: het Hoofdkantoor; de Brigades (Triangulatie-, Opnemings- en Herzienings-) met Topografische Cursus; de zelfstandige Detachementen; de Cartografische Afdeling; het Reproductiebedrijf; de Instrumentmakerswinkel en de Magazijnen.
Ten gevolge van het inzetten van de crisisperiode, moest worden overgegaan tot steeds ingrijpender bezuinigingsmaatregelen, waardoor tal van wijzigingen in de legersamenstelling werden aangebracht.
Toen hiermee het gestelde doel niet in voldoende mate kon worden bereikt en de oorlogsbegroting op steeds lager niveau moest worden gebracht, werd een algehele reorganisatie van het leger ontworpen.
Hierbij werd evenwel als eis gesteld, dat de paraatheid van het leger voor de uitoefening van haar taak, niet mocht worden aangetast.
Bij de voor de oorlogsbegroting van 1933 opgestelde organisatie van het leger is uitgegaan van het beginsel, dat het leger een kleiner geheel zal vormen, echter in zichzelf „af” en op moderne leest geschoeid.
Hieronder volgt een overzicht van de vastgestelde reorganisatie, waarbij de dislocatie van de troepen in overeenstemming werd gebracht met de defensietaak van het leger op Java.
E.e.a. zal in verband met de toegestane fondsen geleidelijk worden uitgevoerd.
Dislocatie van het leger op Java.
De territoriale indeling van Java en Madoera zal omvatten:
1. de Ie Militaire Afdeling op Java: de provincies West- en Midden-Java, met de Staf te Batavia-C.
2. de 2e Militaire Afdeling op Java: de provincie Oost-Java met de Staf te Malang. In de Ie Militaire Afdeling zijn gelegerd:
I. Infanterie:
Ie Regiment Infanterie, bestaande uit: Staf: te Batavia-C.; 1 bataljon à 4 compagnieën te Batavia-C.(X) ; 1 bataljon à 4 compagnieën te Meester-Cornelis (XI) ; 1 bataljon à 3 compagnieën te Meester-Cornelis (XII) ;
1 bataljon à 3 compagnieën te Meester-Cornelis (XIII) ; 1 bataljon à 3 compagnieën te Buitenzorg (XIV) ; 1 afdeling mitrailleurs en infanteriegeschut te Meester-Cornelis.
2e Regiment Infanterie, bestaande uit: Staf te Bandoeng; 2 bataljons à 3 compagnieën te Tjimahi (IV en IX) ; 1 bataljon à 4 compagnieën te Bandoeng (XV) ; 1 afdeling mitrailleurs en infanterie geschut te Tjimahi.
3e Regiment Infanterie, bestaande uit: Staf te Magelang; 2 bataljons à 3 compagnieën te Magelang (I en II) ; 1 bataljon à 3 compagnieën, waarvan staf en 2 compagnieën te Magelang en 1 compagnie te Tjilatjap (II); 1 bataljon à 4 compagnieën te Semarang (V) ; 1 afdeling mitrailleurs en infanteriegeschut te Magelang.
II. Artillerie.
Ie Regiment Artillerie, bestaande uit: Staf te Batavia C.; 1 afdeling houwitsers te Batavia C. (à I Hw.) ;    1 afdeling bergartillerie, waarvan staf en 2 batterijen te Tjimahi en 1 batterij te Batoedjadjar (à II Bg.);1 afdeling bergartillerie te Salatiga (à I Bg.).
III.    Cavalerie.
1 Half-Regiment Cavalerie, bestaande uit: Staf en 2 eskadrons te Bandoeng (2e en 5e esk.) ; 1 eskadron te Batavia C. (Ie esk.).
IV.    Genie.
Bataljon pioniers te Tjimahi;
--------------------------------------------------------
1) De nummers (    ) geven de benaming der onderdeden aan.
--------------------------------------------------------

Bovendien zijn in het gebied van de Ie Militaire Afdeling gelegerd:
V. Infanterie.

  1. het le Marechausseebataljon à 3 compagnieën, waarvan Staf te Bandoeng, en de compagnieën resp. te Serang, Meester-Cornelis en Madjalengka.
  2. de afdeling Wielrijders te Weltevreden,
  3. 2 depotbataljons, resp. te Bandoeng en Gombong,
  4. voorlopig 1 bataljon à 3 compagnieën te Poerworedjo. (Zie onder B III).

VI. Artillerie.

  1. het depot van de mobiele artillerie te Tjimahi,
  2. de commissie van proefneming met een detachement te Batoedjadjar. (Zie B VII).
  3. een detachement van het korps kust- en luchtdoelartillerie te Batavia C.

VII. Cavalerie.

  1. het depot van de Cavalerie te Salatiga,
  2. de commissie van proefneming met een detachement te Batoedjadjar. (Zie B VII).
  3. het remontedepot te Padalarang en Tjisaroea.

VIII.    De Luchtvaartafdeling te Bandoeng.
B. 2e Militaire afdeling op Java.
I. Infanterie.
4e Regiment Infanterie, bestaande uit: Staf te Malang; 3 bataljons à 3 compagnieën te Malang (VIII, XIII en XIX) ; 1 bataljon à 4 compagnieën te Soerabaja (waarvan voorlopig staf en 3 compagnieën te Poerworedjo).
(Zie A V d) ; 1 afdeling mitrailleurs en infanterie-geschut te Malang.
II. Artillerie.
Staf van de artillerie in de 2e Militaire Afdeling; 1 afdeling gemotoriseerde veldartillerie A I V d); korps kust- en luchtdoelartillerie (waarvan detachement te Batavia C.
III. Cavalerie.
1 eskadron te Malang (6e Esk.).
IV. Genie.
1 afdeling zoeklichten en genietroepen te Soerabaja.
Bovendien zijn in het gebied van de 2e Militaire Afdeling gelegerd:
V. Infanterie.

  1. 1/2 bataljon à 2 compagnieën te Jogjakarta.
  2. bataljon a 2 compagnieën te Soerakarta,
  3. 2e marechausseebataljon à 3 compagnieën, waarvan Staf te Soerabaja, en de compagnieën resp. te Bondowoso, Malang en Ngawi of Blitar.
  4. het legioen van Mangkoe Negoro,
  5. de korpsen Barisan van Madoera (te Soemenep, Pamekasan en Bangkalan).

VI Cavalerie.
1 peloton ordonnansen te Jogjakarta; 1 peloton ordonnansen te Soerakarta (beide lijfwachtcavalerie).
VII. Artillerie.
De detachementen tot opleiding van treingeleiders te Soerabaja en Soerakarta.
Buitengewesten.
Ingevolge het rapport van de in 1932 ingestelde „legerpolitiecommissie” (ingediend op 18 Juli 1933), dat grotendeels door de Regering werd aanvaard, werd de legersterkte op de Buitengewesten verminderd met rond 1200 man.
De sterkte en dislocatie van de troepen (uitgedrukt in brigades infanterie) is thans als volgt:

Aantal Militair commandement Aantal brig.-inf. na reorg.
Atjeh en onderhorigheden en Sumatra’s oostkust 183
Sumatra’s westkust en Tapanoeli 69
Palembang en Djambi 37
Riouw en onderhorigheden 7
Westerafdeling v. Borneo 33
Zuider- en Oosterafdeling van Borneo 49
Celebes en Manado 66
Molukken 34 1/2
Timor en onderhorigheden 27
----------------
Totaal 505 1/2

Dienstplicht- en Reservepersoneel.
De regeling van de verplichte krijgsdienst in Ned.-Indië dateert van 1917, toen het „Dienstplichtbesluit” werd afgekondigd (K.B. 26 okt. 1917 No. 47; Ind. Staatsblad 1918 No. 70); sedertdien vervangen door het „Dienstplichtbesluit” van 1923 (K.B. 28 Mei 1923 No. 65, Ind. Staatsblad No. 408), nader aangevuld en gewijzigd in 1924 (K.B. 24 April, Ind. Staatsbl. No. 400, en 1928 (K.B. 31 Maart, Ind. Staatsbl. No. 211), laatstelijk in 1931 (K.B. 1931 No. 89, Ind. Staatsbl. 1932 No. 511).
De „Dienstplichtregeling” werd vastgesteld bij ordonnantie van 5 febr. 1924 (Ind. Staatsbl. No. 44), sedert herhaaldelijk gewijzigd en aangevuld, laatstelijk in 1933 (Ind. Staatsbl. No. 91).
De regelingen zijn van toepassing voor Java en Madoera, Sumatra’s westkust, Tapanoeli, Benkoelen, Lampongse districten, Palembang, Djambi, oostkust van Sumatra, Atjeh en O., Bangka, Riouw, Billiton, Bali en Lombok en de afdelingen Samarinda en Boeloengan.
De dienstplicht rust op alle mannelijke onderdanen-Nederlanders in Ned. Indië.
De dienstplicht vangt aan met het kalenderjaar, waarin het 18e levensjaar is volbracht en eindigt op 1 oktober van het jaar, waarin het 45e levensjaar wordt volbracht.
In geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden kan de G.G. de dienstplicht hoogstens 1 jaar eerder doen ingaan.
De dienstplicht wordt onderscheiden in militie- en landstormplicht. Elk jaar  gaat een jaarklasse van 32-jarigen van de militie naar landstorm over en wordt een klasse van de landstorm, de 45-jarigen, ontslagen.
A. Militie.
Er zijn 7 dienstplichtkringen: t.w. het gebied van de le Militaire Afdeling op Java; het gebied van de 2e Mil. Afdeling; Bali en Lombok; Sumatra’s westkust en Tapanoeli; Benkoelen, Palembang, Djambi, Riouw en Bangka; Lampongse districten en Billiton; oostkust van Sumatra en Atjeh; de afdelingen Samarinda en Boeloengan.
De inlijving vindt plaats op de door de Commandanten van het Leger en van de Zeemacht te bepalen plaatsen, dagen en uren in de maanden mei en november van elk kalenderjaar (buiten Java uitsluitend in november).
Elke jaarklasse wordt verdeeld in 2 ploegen: de mei- en de novemberploeg.
Dienstplichtigen kunnen voorkeur voor een van deze ploegen opgeven aan de voorzitter van de keuringsraad.
Vervroegde inlijving kan worden toegestaan.
Voor het doorlopen van de eerste oefening worden aangewezen dienstplichtigen, die ingelijfd worden vóór of in het kalenderjaar waarin zij het 25e levensjaar volbrengen, evenals zij, die door verzuim hunnerzijds van tijdige inschrijving pas na dat kalenderjaar kunnen worden ingelijfd.

 

De duur van de eerste oefening bedraagt:

Leger:
  1. ten hoogste vijf en een halve maand voor de onberedenen, behoudens de bepalingen onder b. en c.
  2. ten hoogste negen maanden voor de onberedenen, die na hun inlijving in opleiding zijn genomen tot onderofficier;
  3. ten hoogste twaalf maanden voor de onberedenen, die na hun inlijving in opleiding zijn genomen tot officier, voor de ziekenverplegers; voor de dienstplichtigen van de luchtvaartafdeling, voor de beredenen van de artillerie;
  4. ten hoogste vijftien maanden voor de cavalerie.
    Zeemacht:
  5. ten hoogste twaalf maanden voor de dienstplichtigen, die na hun inlijving in opleiding zijn genomen tot officier;
  6. ten hoogste negen maanden voor de dienstplichtigen, die na hun inlijving in opleiding zijn genomen tot onderofficier; doch ten hoogst twaalf maanden, indien zij tevens tot seiner, monteur, ziekenverpleger, torpedomaker of vliegtuigmaker worden opgeleid;
  7. ten hoogste twaalf maanden, voor hen, die worden opgeleid tot seiner, monteur, ziekenverpleger, torpedomaker of vliegtuigmaker ;
  8. ten hoogste vijf en een halve maand voor de overige dienstplichtigen.

Jaarlijks worden een aantal militie-plichtigen aangewezen (ev. bij keuze) voor opleiding tot reserveofficier, militie-onderofficier en
militie-korporaal.
De militieplichtigen kunnen worden toegelaten tot een vrijwillige verbintenis als aspirant-reserve-officier bij de Luchtvaartafdeling (Gouv. Besluit van 9 Juli 1926 No. 3 (Staatsblad No. 279; gewijzigd en aangevuld bij Staatsbl. 1928 No. 75).
Herhalingsoefeningen.
Behoudens de ziekenverplegers, zijn de militieplichtigen, die de
vereiste geoefendheid bezitten, verplicht de herhalingsoefeningen te doorlopen.
De oproeping geschiedt minstens 2 maanden voor de aanvang van het voor de herhalingsoefeningen vastgestelde tijdvak bij openbare en bovendien bij persoonlijke oproeping.

 

De herhalingsoefeningen worden gehouden:

Leger:
  1. telkens ten hoogste twintig dagen voor de onberedenen en voor de beredenen van de artillerie en wel in het kalenderjaar, waarin zij het 24ste en 28ste levensjaar volbrengen;
  2. eenmaal ten hoogste veertig dagen voor de militieplichtigen van de cavalerie en wel in het jaar, waarin zij het 23ste levensjaar volbrengen;
  3. de onderofficieren kunnen een week langer worden opgeroepen dan de overige dienstplichtigen;
  4.  
    Zeemacht:
  5. eenmaal ten hoogste veertig dagen voor alle militieplichtigen in het kalenderjaar, waarin zij het 26ste levensjaar volbrengen;
  6. voor zoveel nodig kunnen de onderofficieren zeven dagen langer worden opgeroepen dan de overige dienstplichtigen.


In de buitengewesten wonende dienstplichtigen zijn vooralsnog vrijgesteld van herhalingsoefeningen.
Bestemming van de Militie voor het Leger.
Zonder hun toestemming mogen dienstplichtigen niet worden gebruikt voor diensten buiten Ned. Indië; zij nemen geen deel aan militaire expedities die ten doel hebben het Nederlandsche gezag in de Archipel te handhaven. Werden in de aanvang de dienstplichtigen bestemd voor het vormen van de 4e compagnieën van de bataljons infanterie, thans, na de algemene versobering op de encadrering van het leger worden ze in het bijzonder opgeleid voor het voltallig maken van de oorlogsorganisaties van de mitrailleurs-compagnieën, de wielrijders en de hulpwagens (in het bijzonder de artillerie en de genie) en de luchtvaartafdeeling.
B. Landstorm.
De landstormplichtigen worden ingedeeld in „geoefenden” en
„ongeoefenden”; de eerstgenoemde hebben een volwaardige opleiding genoten, de tweede categorie heeft tevoren nog geen opleiding genoten.
De geoefende landstormplichtigen worden ingedeeld in
landstormafdelingen (bataljons en compagnieën, de ongeoefenden in land-stormploegen.

Er zijn 7 landstormdistricten vastgesteld, t.w.:

  1. de residenties (afdelingen) Bantam, Batavia, Buitenzorg, met Batavia C. als standplaats van de districtscommandant ;
  2. Residentie (Afdeling) Priangan en de regentschappen Tjiandjoer en Soekaboemi, met Bandoeng als standplaats van de districtscommandant;
  3. Residenties (afdelingen) : Cheribon en Pekalongan met Cheribon als standplaats van de districtscommandant;
  4. Residentie (Afdeling) Banjoemas met Kroja als standplaats van de districtscommandant.
  5. Residentie (Afdeling) Kedoe, de gouvernementen Jogjakarta en Soerakarta en de residenties (afdelingen) Madioen en Kediri met Soerakarta als standplaats distr.-commandant.
  6. Residenties (Afdelingen) Semarang, Japara-Rembang en Bodjonegoro (behalve de regentschappen Grisee en Lamongan) met Semarang als standplaats districtscommandant.
  7. Bali en Lombok en de Residenties (Afdelingen) Soerabaja, Malang, Probolinggo, Besoeki, Madoera en de regentschappen Grisee en Lamongan, met Soerabaja als standplaats van de districtscommandant.

De geoefende landstorm komt op in de bovengenoemde districten in 22 plaatsen en vormt 22 landstorm-afdelingen, die ter plaatse van opkomst worden bewapend, uitgerust en gekleed.
De militieplichtigen, ongeschikt voor de gewapende dienst doch geschikt voor de ongewapenden dienst wordt ingedeeld bij de ongeoefenden landstorm.
De ongeoefenden komen op in dezelfde 22 plaatsen als bovenbedoeld en vormen 22 landstorm-ploegen, en worden door het kader van de geoefenden landstorm naar 10 landstormdepots geleid, alwaar ze worden gekleed, uitgerust en bewapend om vervolgens kort te worden geoefend.

Herhalingsoefeningen.
De landstormplichtigen kunnen zo nodig jaarlijks eenmaal en voor ten hoogste één dag worden opgeroepen voor het deelnemen aan een oefening.

Bestemming van de Landstorm voor het Leger.
De taak van de landstormplichtigen bestaat in de handhaving van de rust en orde en voor het verrichten van bewakingsdiensten.
Bij noodzaak kan bovendien de geoefende landstorm worden gebezigd voor de versterking van het leger.
De landstormplichtigen kunnen in geval van oorlog of oorlogsgevaar geheel of gedeeltelijk vóór de militie, en in tijd van vrede geheel dan wel plaatselijk tot handhaving van orde en rust in werkelijke dienst worden opgeroepen.

C. Reserve-personeel.
De regeling voor het reserve-personeel van het leger in N.I. is vastgesteld bij K.B. van 2 Juli 1923 (Ind. Staatsblad 1923 No. 518), gewijzigd en aangevuld in 1926 (K.B. van 31 Maart Ind. Staatsblad No. 211) en 1928 (31 Maart) Ind. Staatsblad No. 211.
Naar aanleiding hiervan werd bij Gouvernementsbesluit van 28 Maart 1924 (Ind. Staatsblad No. 137) de Reserveregeling vastgesteld, nader gewijzigd in 1928 (Ind. Staatsblad No. 562) en 1930 (Ind. Staatsblad No. 137).

Het reserve-personeel bestaat uit reserve-officieren, die daarvoor in aanmerking komen, t.w.:

  1. de dienstplichtigen, die:
    1. in de officiersrang zijn ingelijfd;
    2. in opleiding zijn genomen tot officier;
    3. tot officier worden bevorderd.
  2. de dienstplichtigen, die:
    1. als officier het leger verlaten;
    2. als onderluitenant het leger verlaten;
  3. de niet-dienstplichtige Nederlandse onderdanen, die zulks verzoeken en daarvoor in aanmerking komen.

Herhalingsoefeningen en verdere opleiding.
De reserve-officieren zullen zo nodig jaarlijks ten hoogste 28 opeenvolgende dagen deelnemen aan militaire oefeningen.
Zij, die daaraan moeten deelnemen, ontvangen daaromtrent uiterlijk einde november van het voorafgaande jaar een persoonlijke mededeling.
In 1928 werd een aanvang gemaakt met de opleiding tot reserve-kapitein. Die opleiding is gesplitst in drie onderdeden, t.w. een opleiding bij de troep gedurende 28 dagen (praktisch), een centrale leergang eveneens gedurende 28 dagen (theoretisch) en een opleiding gedurende 21 dagen bij de compagnie (praktische voorbereiding voor het voeren van het commando over een compagnie).

Bestemming van het Reserve-personeel.
Bij mobilisatie zullen de reserveofficieren worden bestemd voor het vervullen van aanvoerdersplaatsen, waarvoor geen beroepsofficieren beschikbaar zijn, voorts voor het vervullen van functies welke in het leven geroepen moeten worden, zoals indeling bij militie- en landstormeenheden en bij staven en diensten in de rug van het leger.

D. Bijzondere bepalingen.
Voor vrijstelling, vermindering en uitstel van eerste oefening, voor gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de herhalingsoefeningen, bepalingen voor aanmelding, oproeping, vrijstelling, uitstel, inkomsten e.d. zie het vermelde Ind. Staatsblad 1924 No. 137, en overigens de door het Departement van Oorlog in N.I. uitgegeven „Verzameling van Voorschriften betrekking hebbende op den Dienstplicht en
Reserve-aangelegenheden voor de Landmacht in N.I.” (V.V.D.R.L. 1930).

Werving.
De werving voor het leger is te onderscheiden in die in Ned.-Indië en die in Nederland.
I. De werving in Ned.-Indië is vastgelegd in de „Regeling der werving in Ned.-Indië” (G.B. 23 Nov. 1925, No. 13), waaraan zijn toegevoegd „Nadere bepalingen van de Legercommandant (Alg. Order voor het Leger in N.I. 1925 No. 22).

  1. Europeanen, die tevoren niet als militair hebben gediend, ongehuwd zijn en aan bepaalde voorwaarden voldoen kunnen worden aangenomen als „Aanbevolen Militair” met een tijdelijk dienstverband van 3 jaren, teneinde te worden opgeleid tot Europees kaderlid dan wel voor een speciale betrekking. De Europeanen, die reeds bij aanneming voldoen aan de voor een bepaalde betrekking gestelde eisen, kunnen direct in vast dienstverband worden opgenomen. Voorts kunnen Europeanen, die hun eerste oefening als militieplichtige naar behoren hebben vervuld, onmiddellijk in vast dienstverband worden opgenomen. In 1930 is de gelegenheid opengesteld - zij het in beperkte mate -voor Indo-Europeanen, die de leeftijd van 25 jaren nog niet hebben bereikt, een verbintenis aan te gaan als vrijwilliger, terwijl ook zij, die niet voldoen aan de geschiktheid om te worden opgeleid als kaderlid tot een vast verband als vrijwilliger kunnen worden toegelaten. Overigens kunnen als Europees militair worden aangenomen: gewezen militairen van het Ned.-Ind. Leger, die ten hoogste 40 jaren oud zijn; Europeanen, die Nederlander of Nederlands onderdaan zijn, die ten minste 16 en ten hoogste 40 jaren oud zijn.
  2. Niet-Europeanen, die tevoren niet als militair hebben gediend en aan bepaalde eisen voldoen kunnen worden aangenomen als „Aanbevolen Militair” met een tijdelijk verband van 3 jaren, teneinde te worden opgeleid tot niet-Europees kaderlid.
  3. Overigens worden als niet-Europees militair aangenomen:
    Ambonezen (inboorlingen van de residentie van de Molukken, m.u.v. de afdelingen noord-, west- en zuid Nieuw Guinee); Alfoeren (de niet-christen inboorlingen van Halmahera); Manadonezen (inboorlingen van de afdelingen Manado en Gorontalo van de residentie Manado). Voorts worden de niet-Europeanen met betrekking tot de werving onderscheiden in Javanen, Soendanezen, Madoerezen, Boeginezen, Timorezen, Atjeeërs en Maleiers.

In 1929 werden bij wijze van proef wederom een beperkt aantal Batakkers aangenomen (in 1923 wegens gebleken ongeschiktheid was de werving voor deze landaard gesloten).
De duur van de eerste verbintenis bedraagt zes jaren.
De geworven rekruten worden ter africhting gezonden naar de verschillende depots.

Herverbintenissen kunnen eveneens worden aangegaan voor de duur van zes jaren, nadat de betrokkenen wederom geneeskundig zijn onderzocht en overigens voldoen aan de gestelde eisen.

II. De werving in Nederland.
Koloniale Reserve (op 1 April 1891 opgericht te Nijmegen, nam in 1909 ook de taak over van het Koloniaal Werfdepot te Harderwijk).
De Koloniale Reserve ressorteert rechtstreeks onder de Minister van Koloniën en is te beschouwen als een gedetacheerd onderdeel van het Ned.-Ind. Leger.
Behalve aanneming en uitzending heeft hier plaats de vorming van de onderofficieren bestemd voor het Ned.-Ind. Leger.
De aanneming en uitzending van het personeel beneden de rang van onderluitenant, bestemd voor het leger in Nederl.-Indië en voor de troepen in Suriname en Curaçao, geschiedt uitsluitend door de zorg van de Commandant van de Koloniale Reserve.
Tot een dienstverbintenis kunnen als regel alleen Nederlanders worden toegelaten en - bij uitzondering, krachtens machtiging van de Minister, - ook een beperkt aantal vreemdelingen.
Verbintenissen worden gesloten voor 5 jaren, dan wel voor 3 jaren. Aangenomen worden: zij, die in aanmerking komen voor opleiding tot kaderlid.
Zij worden na een eenjarig verblijf als „Aanbevolen Militair
brigadier-titulair” uitgezonden en in Ned.-Indië verder opgeleid tot onderofficier.
De aanneming van deze categorie geschiedt driemaandelijks.
Voorts worden aangenomen rekruten, die na een verblijf van 2 a 3 weken tot 2 a 3 maanden als rekruut in detachementen van 30 a 40 man naar
Ned.-Indië worden uitgezonden.
Aldaar worden ze bij de Depots verder opgeleid.
De aanneming van de rekruten heeft dagelijks plaats.
Boven de sterkte van de Koloniale Reserve worden gevoerd:

  1. de in Nederland nieuw benoemde officieren;
  2. de officieren en onderluitenants, die - tijdelijk in Nederland vertoevend - zullen vertrekken dan wel terugkeren van detachering bij de troepen in Ned.-Indië dan wel bij de troepen in West-Indië;
  3. in tijden van oorlog of oorlogsgevaar dan wel andere buitengewone omstandigheden de in Nederland vertoevende (met verlof of op non-actief) officieren en onderluitenants van het Ned.-Indische Leger;
  4. militairen beneden de rang van onderluitenant, die zijn toegelaten tot een verbintenis voor de overzeese militairen dienst en zij, die zullen vertrekken dan wel terugkeren van een detachering in Ned.-Indië of in West-Indië.

Voorts worden administratief bij de Koloniale Reserve ingedeeld alle verlofgangers in Nederland, beneden de rang van onderluitenant.
De formatie van de Koloniale Reserve bestaat uit de Staf (Commandant: kapitein, majoor of luitenant-kolonel, en 2 toegevoegde officieren); en het Subsistenkader (Commandant: een kapitein, 2 toegevoegde luitenants en de nodige onderofficieren).
Voorts zijn ingedeeld een luitenant of kapitein-kwartiermeester en twee officieren van gezondheid.
Officieren van het N.I. Leger worden voor ten minste 2 en voor ten hoogste 3 jaren bij de Koloniale Reserve gedetacheerd.
De onderofficieren (vroeger als z.g. „vast personeel”, thans als „vlottend personeel”) worden gerekruteerd uit de in Nederland vertoevende verlofgangers.

Militair Onderwijs.
Het militair onderwijs is te onderscheiden in: dat in Nederlands-Indië en dat in Nederland.
I. Het militair onderwijs voor Ned.-Indië is geregeld bij K.B. van 28 April 1894 No. 32 en onderscheidt het onderwijs in dat op:

  1. de Militaire School te Meester Cornelis voor de opleiding voor het examen voor toelating tot de Hoofdcursus (de Militaire School is sedert 1927 opgeheven) ;
  2. de kaderscholen voor de infanterie, de artillerie, cavalerie en genie, bestemd voor de opleiding van onderofficieren en korporaals voor de verschillende wapens (thans voor de infanterie) ; een centrale kaderschool te Magelang, voor de artillerie, de genie en de cavalerie, resp. ingedeeld bij depot van de mobiele artillerie, de depotcompagnie van de genie en het depot van de cavalerie. In 1912 werd opgericht een cursus tot opleiding van jonge lieden van Europese afkomst tot leerling opnemer c.q. tekenaar. In 1922 werd te Tjimahi opgericht de centrale „Leergang tot opleiding van onderofficieren van de Militaire Administratie”. In 1908 werd in de normale formatie van het leger opgenomen de Hoefsmidschool te Salatiga.
  3. de korpsscholen, welke wapensgewijze gehouden en door de Commandant van het legergarnizoen worden vastgesteld. Zij dienen om aan militairen beneden de graad van korporaal lager onderwijs te verstrekken en tevens om het kader in de gelegenheid te stellen het vroeger geleerde te onderhouden.

II. Het militair onderwijs in Nederland is geregeld in de „Wet tot Regeling van het Militair Onderwijs bij de Landmacht” van 1928, die in plaats kwam van de toen geldende Wet van 1890.
De gehele Officiersopleiding voor het Nederlandse zowel als voor het Ned.-Indische Leger geschiedt thans bij de Koninklijke Militaire Academie te Breda.
In aanmerking voor de opleiding tot Officier van het Leger in Ned.-Indië komen zij:
die, op het tijdstip van de aanvang van het eerstvolgende leerjaar de leeftijd van 22 jaren niet hebben overschreden en Nederlander of uit anderen hoofde Nederlands onderdaan zijn;
in het bezit zijn van het getuigschrift van goed volbracht eindexamen van de hogere burgerschool met 5-jarigen cursus of daarmede gelijkgesteld getuigschrift,
bij geneeskundig onderzoek geschikt zijn bevonden.
Indien het aantal van de aspiranten voor enig wapen of voor het dienstvak van de militaire administratie het aantal van de beschikbare plaatsen overtreft, hebben de aspiranten zich te onderwerpen aan een rangschikkingsonderzoek.
De voor plaatsing in aanmerking komende persoon gaat een verbintenis aan als cadet, waarbij hij zich verbindt de Staat gedurende 7 jaren te dienen, waarvan 4 jaren als officier.
Cadetten, die aan de eisen van het eindexamen hebben voldaan worden door de Gouverneur-Generaal benoemd tot tweede luitenant.
De hogere vorming van de Officieren geschiedt bij de Hogere Krijgsschool te ’s Gravenhage.
Deze hogere vorming omvat:

  1. in algemeen krijgskundige richting, alsmede voor de hogere troepenleiding en voor de dienst bij de Generale Staf;
  2. voor de Intendancedienst.

Aan het toelatingsexamen mogen deelnemen officieren, die ten minste 5 jaren en ten hoogste 12 jaren bij het Ned.-Indische Leger hebben gediend.
Het leerplan voor de Hogere Krijgsschool wordt verdeeld over 3 studiejaren.
In het belang van de hogere vorming in technische en in andere wetenschappelijke richting kunnen afzonderlijke voorzieningen worden getroffen.

Taak en doelstelling.

Het Leger in Ned.-Indië heeft een tweeledige taak te vervullen.
De primaire taak omvat:

  1. het verzekeren van de binnenlandse rust, orde en veiligheid;
  2. het geven van steun aan het gezag, het afdwingen, waar nodig, van gehoorzaamheid aan gegeven bevelen, het beschermen van de goedgezinde bevolking tegen kwade elementen en dergelijke;
  3. zo nodig kunnen aan het Leger in de Buitengewesten - dit ter beoordeling van het burgerlijk bestuur - nog andere diensten worden opgedragen (z.a. bewakingsdiensten, begeleiden van bestuursambtenaren, transporten e.d.). Bij uitzondering kunnen deze diensten ook worden opgedragen aan de troepen op Java en Madoera.

De secundaire taak omvat in het algemeen de „Defensietaak”; de verdediging van het grondgebied tegen aanranding door een buitenlandse vijand.
(Zie hierna onder „Defensiegrondslagen”).

De Defensiegrondslagen.
Begin 1927 werden door het Opperbestuur de door haar opgestelde richtlijnen voor de Defensie van Ned.-Indië aan de Indische Regering bekend gesteld, om als grondslag te dienen voor de verdere uitwerking van de nodig geachte maatregelen.
Hoewel in de Volksraad van verschillende zijden bedenkingen bestonden tegen de „grondslagen” meende de Indische Regering hierover niet in debat te kunnen treden, aangezien ze waren te beschouwen als „richtlijnen” voor het regeringsbeleid.
Wel werden bij de behandeling van de begroting voor het jaar 1930 door de Regeringsgemachtigde een nadere interpretatie van de „grondslagen” bekend gesteld.

  1. Doel van de weermacht in Nederlands-Indië:
    1. handhaving van het Nederlandsch gezag in de Archipel tegen onrust of verzet binnen de grenzen, verzekering van rust en orde;
    2. vervulling van de militaire plicht als lid van de Volksgemeenschap tegenover andere volken.
  2. De taak, bedoeld sub. la moet in hoofdzaak door het Leger worden vervuld, dat daartoe berekend en uitgerust moet zijn. Voor zover de Vloot aan de vervulling van deze taak deelneemt, geschiedt dit met de middelen, die beschikbaar zijn voor het doel, bedoeld sub lb.
  3. De taak omschreven sub lb beperkt zich - afgezien van de deelneming met de beschikbare middelen aan een gemeenschappelijke actie met anderen - tot handhaving van een strikte neutraliteit in conflicten tussen andere mogendheden. Onverminderd de bevoegdheid van de Gouverneur-Generaal om bij het uitbreken van internationale conflicten naar eis van de dan bestaande omstandigheden over Land- en Zeemacht te beschikken, wordt voor de vaststelling van organisatie en uitrusting van de weermacht er van uitgegaan, dat de neutraliteitshandhaving op Java wordt vervuld door het Leger met steun van de Vloot; in de gewesten buiten Java door de Vloot, die daarbij op bijzonder kwetsbare punten door het Leger wordt gesteund.
  4. De mate, waarin sub lb bedoelde, en onder 3 nader omschreven taak kan worden vervuld, wordt nauw bepaald door onze financiële en personele krachten. Het totaal voor land- en zeemacht per jaar te besteden bedrag kan een bepaalde fractie van de gewone jaarlijkse inkomsten niet te boven gaan. In het algemeen zal het cijfer, dat het bedrag van die fractie over de laatste jaren voorstelt, niet belangrijk kunnen worden overschreden.
  5. De zeemacht in Nederlands-Indië bestaat uit:
    1. de zeegaande vloot;
    2. het drijvend materieel voor lokale verdediging en versperring;
    3. de maritieme luchtmacht en
    4. de maritieme inrichting aan de wal.
      Het deel sub a heeft een sterkte van ten minste: 2 kruisers, 8 jagers en 12 onderzeeboten, onverminderd de mogelijkheid om aan een of meer van deze schepen krachtens Koninklijke machtiging tijdelijk een andere bestemming te geven. Voor de zeegaande vloot wordt Soerabaja als basis voltooid. De toegangen naar die haven zullen door batterijen met middelbaar geschut aan de wal worden beschermd.
  6. De sterkte van het leger, daaronder begrepen de Europese militie, aan infanterie wordt bepaald door hetgeen nodig is voor de vervulling van de sub la (en 2) bedoelde taak. Voor zover de infanterie op Java is gelegerd, wordt zij georganiseerd, bewapend en uitgerust, alsmede versterkt met hulpwagens en diensten, voor de neutraliteitshandhaving (met steun van de Vloot) op Java en wel in het bijzonder voor:
    1. de verdediging van Soerabaja te land tegen landingsdivisies van kruisereskaders, die in de archipel kunnen worden verwacht;
    2. de bescherming van de haven van Tandjoeng Priok tegen een actie van enkele schepen, die zich meester zouden willen maken van die haven voor eigen gebruik.
  7. Als bijzonder kwetsbare punten bedoeld in het slot van punt 3, worden tegenwoordig beschouwd de plaatsen van opslag en verwerking van zware stookolie: Tarakan en Balikpapan. Voor haar bescherming zal met gebruikmaking van de in die plaatsen aanwezige personen, die ingedeeld zijn bij de Europese militie, een troepenmacht van zodanige sterkte ernstig verzet moeten waarborgen tegen gewelddadige pogingen, met beperkte middelen ondernomen, om zich van die voorraden meester te maken, en indien overmacht daartoe dwingt, de tijdige vernietiging van de voorraden moeten verzekeren.
  8. Indien Nederlands-Indië ondanks het ernstig pogen om buiten de oorlog te blijven, daarin betrokken wordt, zal de aanwezige weermacht met de voorhanden middelen zich zo goed mogelijk tegen elke bezetting van ons grondgebied verzetten, in afwachting van de steun, die ons mocht worden verleend.

Creatie datum: 26/02/2020 14:32
Categorie: Index encyclopedie - L
Pagina gelezen 522 keren


Reacties op dit artikel

Er heeft nog niemand gereageerd.

Nieuws van den dag uit het voormalig Nederlandsch-Indië