Zoek
 
Sluiten
INDISCHE ENCYCLOPEDIE
Indopedia
INDOPEDIA
De Indische Encyclopedie
 

Index encyclopedie

Bandung adresboek

Recepten, Gerechten

Djamu (Jamu) - medicinale kruiden , planten en vruchten. Ziekten & Kwalen

Indische Boekrecensies

Verhalen

Bladmuziek Krontjong

Bezoekers vanaf jun. '09

 18105687 Bezoekers

 1 Bezoeker online

rss Deze artikelen zijn ook met een RSS reader te lezen. :
https://www.indopedia.nl/data/nl-articles.xml

Minangkabau, Minangkabauers, Minangkabaus.

Minangkabau was een rijk in Midden-Sumatra, welks kustgrenzen in de 15e eeuw aan de oostkust ongeveer liepen van de grens van de gewesten
Palembang en Djambi tot aan de Siak-rivier en aan de westkust van de plaats Moeko-Moeko in Bengkoelen tot Singkil in Atjeh.
Vóór dien moet het onder Hindoe- en Hindoe-Javaanse invloed hebben gestaan.
De Hindoe-oudheden in dit gebied dateren grotendeels uit laatstgenoemde periode (zie Oudheden).
De beelden te Rambatan (zie afbeelding) en te Loeboekboelan aan de
Boven-Batangharimet inscriptie getuigen van Javaanse soevereiniteit, evenals het Javaanse heldendicht Nagarakërtagama.
Deze periode duurde ongeveer een eeuw (1275-1375 A.D.).
Daarna volgde de bovengenoemde periode van onafhankelijkheid en macht, doch hiervan is niet veel bekend.
Ook deze periode heeft ongeveer een eeuw geduurd: in de 16e eeuw namelijk schijnen verschillende gebiedsdelen van het Minangkabause rijk reeds onafhankelijke staten te zijn geworden (Djambi, Inderagiri, Inderapoera). De vorst van Minangkabau voerde oorspronkelijk de titels Seri Maharadja en Jang Dipertoean; later alleen de laatste.
Volgens de overlevering werd de Jang Dipertoean in dit verband Radjo Alam geheten, die te Pagarroejoeng (zie onder Fort van der Capellen) zetelde in het bestuur over zijn rijk bijgestaan door twee ondervorsten, den Radjo Adat en den Radjo Ibadat, welke respectievelijk het hoogste gezag hadden in adat- en in godsdienstzaken.
Deze drie vorsten weer, werden voor het bestuur in de onderdelen van het rijk (waartoe ook behoorden nederzettingen op het Maleise Schiereiland) bijgestaan door vier rijksgroten.
De Jang Dipertoean was blijkbaar een enigszins mystieke grootheid voor wie men wel veel ontzag had doch die geen grote feitelijke macht heeft uitgeoefend.
Met de westkust van dit rijk waren de Nederlanders sedert 1600 bekend, doch eerst in de tweede helft van de 17e eeuw begon Sumatra ’s westkust enige betekenis voor de O.-I. Compagnie te krijgen.
Deze kust was onderhorig aan Atjeh geworden en de Compagnie werd er mede bekend door haar handel op en met Atjeh.
In 1659 vestigde de Compagnie een kantoor te Padang met toestemming van Atjeh, welks macht toen reeds tanend was.
De bewoners  van deze kust die het gehate Atjehse juk graag wilden afwerpen, zochten toenadering met de Compagnie.
Zo werden achtereenvolgens verdragen gesloten met Salida, Indrapoera en Padang, waarbij de Compagnie het monopolie kreeg van peper en van goud, dat vooral in Salida werd gewonnen.
De eerste sterkte werd gebouwd op het eilandje Tjinko, tegenover Salida (Painan).
In 1664 stond de gehele westkust onder de invloed van de Compagnie en waren op de belangrijkste plaatsen factorijen geopend, waarvan Padang het centrum werd, waar garnizoen werd gelegerd en eveneens een sterkte werd gebouwd.
De kustgebieden erkenden de Jang Dipertoean als hun heer en de
Nederlandse resident te Padang als de vertegenwoordiger van de Jang Dipertoean.
Het gebied en de invloedssfeer van Nederlanders breidden zich uit.
De handhaving hiervan met meer of minder succes duurde tot 1795, toen de Engelsen de vestigingen beheerden tot 1819.
Intussen waren in de binnenlanden van Minangkabau burgertwisten uitgebroken.
De adat der Minangkabauers in zake huwelijks- en erfrecht als gevolg van het matriarchaat, wijkt geheel af van de door de Moslimse wet ter zake gegeven voorschriften.
Was dit de rechtzinnigen in de leer reeds zeer onwelgevallig, te meer keerden deze zich tegen de overige Minangkabauers omdat onder hen een algemeen zedenbederf (dobbelen, hanengevechten, opiumgebruik, enz.) heerste.
Deze rechtzinnigen, padri’s genoemd (de herkomst van dit woord is niet zeker) die dus tegenover de aanhangers van de adat of adatpartij stonden, namen in aantal en in gezag dusdanig toe dat zij gehele streken onderwierpen, het Minangkabause vorstenhuis uitmoordden (op één lid na dat door de vlucht wist te ontkomen) en met grote strengheid en wreedheid optraden.
De andere partij riep reeds in 1818 de hulp in van Raffles (toen luitenant-gouverneur van Benkoelen), die een tocht naar de binnenlanden maakte, zonder dat deze resultaten opleverde.
Zo stonden de zaken toen de Nederlanders in 1819 een deel van de bezittingen van de Engelsen overnamen.
Ook onze hulp tegen de padri’s werd ingeroepen en verleend (1821). Hiermee begon de strijd, bekend als padri-oorlog, welke langdurige, bloedige, met wisselend succes gevoerde oorlog duurde tot 1837, de val van Bondjol.
In dat jaar werd het gouvernement Sumatra’s Westkust (zie aldaar) gecreëerd (de overige bestuurders na de overname van de Engelsen voerden de titel „resident”).
De eerste gouverneur van het gewest was de generaal-majoor A. V. Michiels (zie op dien naam), die zich een uitnemend bestuurder toonde en de grondslag heeft gelegd van de organisatie van het bestuur aldaar.
De macht en de invloed van de Padri’s was gebroken, maar het gewest bleef tot op den huidige dag een onrustig bezit.
Nog herhaaldelijk was militair optreden noodzakelijk (1841, 1844,1845, 1896).
In 1908 brak de zeer ernstige, bijna algemene, vele levens geëist hebbende opstand uit naar aanleiding van de invoering van de belasting op de bedrijfs- en andere inkomsten van de inlandse bevolking en die op het slachten van runderen en varkens, tegen afschaffing van de verplichte cultuur en levering van koffie.
De troepenmacht moest van Java worden versterkt met infanterie en cavalerie.
In deze opstand verloor de Controleur van Boeo, Bastiaans het leven.
De opstand kon - zij het ook bloedig - in hetzelfde jaar worden bedwongen.
In 1915 had een bloedig treffen plaats te Padjangpandjang; in 1926 en 1927 eindelijk de ernstige communistische woelingen.
De herkomst van de naam Minangkabau is onzeker.
Zowel de Maleise legende ter zake als de door taalvorsers geopperde suggesties zijn weinig aannemelijk.
Van der Toorn stelt in zijn Minangkabaus woordenboek de vraag of de naam in verband kan staan met „mainang” = verzorgen, oppassen.
Inderdaad zou de bevestigende beantwoording een aannemelijke verklaring geven.
Orang Mainang Kabau zou dan betekenen: karbauwenhoeders of de lieden met de karbouwen.
Men neemt aan dat de karbouw door de Hindoes in de archipel is ingevoerd tegelijk met de sawahcultuur, waarvoor de karbouw werd gebruikt.
Met „orang mainangkabau”, verbasterd tot „minangkabau” zouden dan de Hindoes in de aanvang van de Hindoeperiode in Minangkabau (toen uiteraard nog niet zo geheten) kunnen zijn aangeduid, later ook de Maleiers van dit gebiedsdeel die de sawahcultuur en de voorliefde voor de karbouw van de Hindoes hebben overgenomen.

Het land van Minangkabau wordt onderscheiden in drie onderdeden:

  1. de Alam Minangkabau, het kernland, het stamgebied,
  2. de rantau, het grensgebied, de jongere vestigingen of kolonisaties van de Miningkabauers,
  3. de pasisir of het kustgebied.

In de Alam Minangkabau onderscheidt men 3 landstreken, de tiga loehak, n.l. Tanah Datar, Agam en L Koto (thans nog de namen van drie afdelingen, zie op die namen), welke het grootste deel van de vroegere Padangse Bovenlanden vormden.
Tot de rantau behoort grotendeels de tegenwoordige afdeling Solok en het zuidelijk deel van de onderafdeling Sidjoendjoeng.
Tot de pasisir behoren de onderafdelingen Painan, Padang, Pariaman en de onder-districten Loeboekbasoeng, Ajerbangis en Oedjoenggading.
Het overige gedeelte van Sumatra’s Westkust, met uitzondering van de onderafdelingen Mentawai-Eilanden en Kerintji, vormt de Alam Minangkabau.
De inheemse bewoners van het gewest Sumatra’s Westkust (met uitzondering van de Mentawai-Eilanden) alsmede van sommige grensgebieden in Djambi, Inderagiri, Bengkalis en Tapanoeli zijn Minangkabauers.
Zie voor de herkomst van de Minangkabauers onder Maleiers.
Het Minangkabause gezin heet samandai, d.i. „van dezelfde moeder”. Gezinshoofd is de mamak, de oudste oom van moederszijde.
Door de matriarchale afstamming blijft de vrouw in het huis van haar familie, alwaar ook de uit haar huwelijk geboren kinderen verblijven.
De mamak oefent over de kinderen van zijn zusters, dus zijn neven en nichten (Kamanakan) de rechten uit die de vader uitoefent in de patriarchale staat.
Deze kinderen, zijn zusters en zijn jongere broers zijn zijn anoekboeah, waarover hij een zekere zeggenschap uitoefent.
Zijn gezag is dus groter dan dat van de vader in het patriarchale gezin. De echtgenoot wordt niet opgenomen in het familieverband van zijn vrouw doch blijft tot zijn eigen familie behoren (zie ook onder Huwelijk).
In een Minangkabaus adathuis wonen verschillende gezinnen, alle afstammelingen van dezelfde overgrootmoeder.
Zo’n complex van gezinnen heet saboea paroei, d.i. „uit dezelfde moederschoot gesproten”.
Het hoofd hiervan heet toeo roemah.
Zo’n adat -of familiehuis is verdeeld in evenzoveel afdelingen (roeangs) als er gezinnen wonen.
Wordt het huis te klein dan kunnen aan weerszijden stukken worden bijgebouwd, waarvan het dak evenals dat van het oorspronkelijke gedeelte in spits toelopende punten eindigt: zo ziet men daken met 2, 4, 6, 8 punten, tandoek (= hoorn) geheten.
Is uitbreiding niet meer mogelijk dan moeten nieuw gevormde gezinnen een andere woning betrekken.
Deze en de bewoners van het stamhuis zijn dan sakampoeang, d.i. van één kampong.
Het hoofd van deze gemeenschap, de penghoeloe kampoeang, is de mamak van de kernfamilie.
De leden van deze gemeenschap zijn dus van hetzelfde geslacht.
Verschillende kampoeangs vormen een soekoe.
Aangezien de leden van verschillende kampoeangs niet hoeven te behoren en meestal niet behoren tot hetzelfde geslacht, is de soekoe een
geslachtsunie.
De verzamelnaam voor de penghoeloe’s kampoeang is penghoeloe andiko. Hoofd van de soekoe is (behoudens geschiktheid, welke eis voor alle volkshoofden geldt) het hoofd van de familie die de nederzetting heeft gesticht.
Hij heet penghoeloe soekoe of penghoeloe poetjoek
(d.i. kruinpenghoeloe”).
De penghoeloe’s andiko en de penghoeloe’s soekoe voeren de titel datoek (vergelijk het Javaanse ratoe = vorst).

In sommige streken (Solok) heet de kampoeang of het geslacht soekoe.
De soekoe en het soekoehoofd hebben daar dus een andere betekenis.
Dit verschil in betekenis is mede van belang ten aanzien van het exogame huwelijk (de man moet zijn vrouw uit een ander geslacht kiezen, zie onder Huwelijk) hetgeen bij de Minangkabauers in zwang is.
Daar waar de kampoeang of het geslacht wordt aangeduid met de naam soekae mag men dus niet binnen de soekoe trouwen, daar waar de soekoe bestaat uit kampoeangs, dus uit verschillende geslachten mag men wel binnen de soekoe huwen, mits de betrokkenen niet van dezelfde kampoeang zijn.

De genoemde eenheden (kampoeang, soekoe) zijn dus genealogische eenheden, en geen territoriale.
Ook de soekoe - hoezeer in een ander verband dan de kampoeang - want binnen de negari vormt de soekoe geen wijk of ander aaneengesloten territoir.
Oorspronkelijk zouden er slechts vier soekoes zijn (soekoe = vierde deel; thans is er een 40-tal soekoe’s) n.1. 1. Koto, 2. Bodi, 3. Tjaniago, 4. Piliang.
Uiteraard hadden deze soekoes verschillende adat.
In twee groepen verdeeld kwamen het meest overeen en stonden ook in afstamming het dichtst bij elkaar de soekoes Bodi-Tjaniago enerzijds en Koto-Piliang anderzijds.
Deze twee adat-en stammengroepen heten laras (zie aldaar).
Men spreekt dus van de laras Bodi-Tjaniago en van de laras Koto-Piliang. Ook adatrechtelijk spreekt men van de adat Bodi-Tjaniago en van de adat Koto-Piliang.
De legendarische hoofden van deze adatgroepen waren
Datoek Katoemenggoengan van de Koto-Piliang en Datoek Perpatih nan Sabatang van de Bodi-Tjaniago.
Het begrip laras had dus evenmin territoriale betekenis (door onkunde zijn later van gouvernementswege territoriale larassen gecreëerd; deze zijn echter weer opgeheven).
Territoriaal is de negari (van het Skr. nagara) die bestaat uit het hoofddorp de Koto en de van de Koto uitgegane nederzettingen daarbuiten, taratak geheten.
De negari is een dorpsrepubliek die de grondslag vormt van de Minangkabause maatschappij.
Zij is een rechtsgemeenschap, die erkenning vindt in de Inlandse gemeente-ordonnantie voor Sumatra’s Westkust (Stb. 1918 no. 677); er is een Inlandse gemeenteraad onder voorzitterschap van het negariehoofd [zie ook onder Bestuur, Dorpswezen, Inlandse Gemeenten, Grond (rechten op de), Beschikkingsrecht].
Lid van dezen raad zijn de door het hoofd van gewestelijk bestuur erkende volkshoofden (in sommige streken de penghoeloes andiko, in andere alleen de penghoeloes soekoe), terwijl tevens de mogelijkheid is geopend om ook andere daarvoor geschikte personen (tjerdik pandai) deel van de raad te doen uitmaken.
Hierboven werd reeds opgemerkt dat het huwelijks- en erfrecht van de Minangkabauers als gevolg van het matriarchaat geheel afwijkt van de door de Mohammedaanse wet ter zake gegeven voorschriften.
Na hetgeen verder werd vermeld over familieverband en huwelijk, ligt het voor de hand, dat de mamak, het gezinshoofd, de bezittingen van de familie beheert.
Deze, meest onroerende, familiegoederen, harta poesako geheten, worden uiteraard niet verdeeld: men leeft geheel of gedeeltelijk van de opbrengst, maar het eigendom blijft aan de familie, wier leden deelgerechtigd zijn.
Daarnaast kan men door eigen werkkracht eigen goederen verwerven (deze heten harta pentjarian) waarover de eigenaar uiteraard vrijelijk mag beschikken.
Bij overlijden echter wordt de nalatenschap weer harta poesako.
Deze matriarchale instellingen vormden een hechte grondslag van de Minangkabause maatschappij in de fase van de productenhuishouding.
In de verkeers- en geldhuishouding werken zij veelal belemmerend, zodat zij op den duur zullen moeten verdwijnen, welk proces zich reeds geruime tijd aan het voltrekken is.

De adat tanggoengan (tanggoeng = borg staan, verantwoordelijk zijn voor) is weliswaar niet specifiek Minangkabaus maar is bij de Minangkabauers zeer sterk ontwikkeld, niet alleen door het saamhorigheidsgevoel ten aanzien van de eigen leden van gezin, soekoe of negari, maar ook ten aanzien van anderen die zich aldaar bevinden, ja zelfs ten aanzien van derden.

Bleek hierboven dat zowel de adatrechtelijke hiërarchie van anak boeah of tot penghoeloe poetjoek als de staatkundige tot negrieraad en negriehoofd enigszins gecompliceerd is, geenszins mag daaruit de gevolgtrekking worden gemaakt, dat de lagere instanties geen medezeggenschap zouden hebben in de aangelegenheden welke hen aangaan.
Integendeel is het onderling overleg (moepakat) van de hogere met de lagere instantie tot die van mamak met anak boeah toe, een door de adat voorgeschreven en in het algemeen trouw nagekomen plicht.
Het nalaten hiervan kan tot betreurenswaardige gevolgen leiden.
Het voornaamste landbouwproduct is rijst, grotendeels op sawa’s.
Deze cultuur staat op een hoge trap van ontwikkeling.
Andere belangrijke cultures zijn die van klappers, tabak
(Pajakoemboeh, Loento), koffie, thee, cassia, suikerriet, enz.
Het pasarwezen is er zeer ontwikkeld; de markten worden er zeer druk bezocht (zie Fort de Koek en Pajakoemboeh).
De Minangkabauer is een uitnemende handelsman; de Chinees als tussenhandelaar vindt men in zijn land niet.
Van de industrieën mogen worden genoemd de fraaie en kostbare weefsels van Siloengkang en Soengaipagoe, goud- en zilverwerk en kantwerk van Kotogadang (Agam).
De taal is het Minangkabaus, een van de twee hoofdtakken van het Maleis. De andere hoofdtak is het Djohors of Riouws, waarvan het dus niet - zoals veelal wordt gemeend - een dialect is (zie ook onder (Maleis).
Raadpleeg verder de artikelen Sumatra en Sumatra’s Westkust.


Creatie datum: 18/06/2020 10:03
Categorie: - M
Pagina gelezen 119 keren


Reacties op dit artikel

Er heeft nog niemand gereageerd.

Nieuws van den dag uit het voormalig Nederlandsch-Indië