Zoek
 
Sluiten
INDISCHE ENCYCLOPEDIE
Indopedia
INDOPEDIA
De Indische Encyclopedie
 

Index encyclopedie

Tel. / adres boeken

Recepten, Gerechten

Djamu (Jamu) - medicinale kruiden , planten en vruchten. Ziekten & Kwalen

Indische Boekrecensies

Verhalen

Bladmuziek Krontjong

Bezoekers vanaf jun. '09

 18108139 Bezoekers

 21 Bezoekers online

rss Deze artikelen zijn ook met een RSS reader te lezen. :
https://www.indopedia.nl/data/nl-articles.xml

Mijnwetgeving.

Van mijnwetgeving kan pas feitelijk gesproken worden, nadat de Indische Mijnwet in 1899 door de Generale Staten was aangenomen.
De eerste regeling van mijnbouwzaken in Nederl.-Indië geschiedde bij Koninklijk Besluit van 24 okt. 1850 No. 45. (Staatsblad 1851 No. 6), regelend de ontginning van delfstoffen in Nederlands-Indië.
Voordien vanaf 1816, (de teruggave van de Koloniën), had het Gouvernement zich het recht voorbehouden alle delfstoffen zelf te ontginnen.
Bij genoemd K.B. werd bepaald dat ontginning van delfstoffen ook aan particulieren kon worden overgelaten, en alleen mocht geschieden door Nederlanders, in Nederland of Nederlands-Indië gevestigd.
Voor Java en Bangka gold deze regeling echter niet. De concessionaris moest in Nederlands-Indië behoorlijk zijn vertegenwoordigd.
De concessie werd verleend voor 40 achtereenvolgende jaren, mocht bij versterf of anderszins alleen overgaan op Nederlanders.
Het particulier initiatief was hiermee gebaat, o.a. was in 1852 aan Z.K.H. Prins Hendrik der Nederlanden en
V.G. baron van Tuyll van Serooskerken concessie verleend tot ontginning van delfstoffen op het eiland Billiton.
Maar toch nam de belangstelling voor mijnbouwkundige ontginningen niet voldoende toe.
Om deze aan te moedigen werden bij K.B. van 10 okt. 1857 No. 64 Stbl. 1858 No. 41 de bepalingen van enkele artikelen van K.B. 24 okt. 1850 uitgebreid en toepasselijk verklaard op personen die volgens het Stbl. van 1856 No. 64 gronden voor landbouw in huur konden krijgen.
Tevens werden aan concessionarissen van terreinen waar het mijnrecht aan het Inlandse zelfbestuur was gelaten, dezelfde eisen gesteld.
Na de opkomst van de petroleumindustrie in Amerika, en nadat de aanwezigheid van aardolie in 1865 in de bodem van Java geconstateerd was, interesseerden zich particulieren voor petroleumterreinen.
In afwachting van een algemene regeling van het mijnwezen werden bij K.B. van 21 jan. 1866 No. 62 en dat van 8 sept. 1867 No. 29 de grondslagen voor de ontginning van aardolie resp. voor Java en voor de Buitenbezittingen afgekondigd.
De uitvoeringsvoorschriften hiervoor werden vastgesteld bij ordonnantie van 13 mei 1868 Stbl. No. 58 waarvan art. 20 voorschreef: „Ondernemers van boringen of van ontginningen zijn verplicht domicilie te kiezen binnen het ressort waar de onderneming is gevestigd”.
De nieuwe regeling van de bepalingen omtrent het ontginnen van delfstoffen welke in uitzicht was gesteld kwam tot stand bij K.B. van 2 sept. 1873 No. 13 (Stbl. No. 217a).
Daarbij werd bepaald dat concessies tot mijnontginningen mochten worden verleend en slechts worden overgedragen aan Nederlanders, ingezetenen van Nederland, ingezetenen van Nederlands-Indië en Vennootschappen gevestigd in Nederland of Nederlands-Indië, terwijl deze lichamen behoorlijk moeten zijn vertegenwoordigd.
Tevens werd een jaarlijks te betalen vast recht van ƒ0.25 per bouw vastgesteld en te beginnen met het vierde jaar volgende op dat waarin de concessie werd verleend, een accijns geheven van minstens 3% en hoogstens 10% van de netto-opbrengst.
Door de gerezen moeilijkheden bij de verlenging der Billiton-concessie in 1882 werd in 1883 overwogen of het mijnrecht in Indië niet wettelijk geregeld behoorde te worden.
Die vraag werd bevestigend beantwoord.
Verschillende ontwerpen werden door opeenvolgende Ministers bij de Tweede Kamer ingediend en tenslotte kwam de Indische Mijnwet onder het Ministerschap Cremer tot stand.
De wet werd afgekondigd op 23 mei 1899 Stbl. No. 124.
De Pruisische Mijnwet van 1865, welke in de praktijk goed heeft voldaan, is in hoofdzaak gevolgd.
De Indische Mijnwet bevat de hoofdbeginselen en enkele daarmede direct verband houdende onderwerpen.
Het in K.B. 1873 en in enkele agrarische regelingen reeds ingenomen standpunt van scheiding van eigendom van de bovengrond en die van de ondergrond, is hierbij wettelijk vastgelegd.
De voornaamste bepalingen zijn de volgende: art. 1 schrijft voor over welke delfstoffen de rechthebbenden van de bovengrond niet mogen beschikken (vrijwel alle delfstoffen op Jodium na), art. 4 wie houders van vergunningen tot opsporing of van concessies kunnen zijn nl. a) Nederlanders, b) Ingezetenen van Nederland of Nederlands-Indië,
c) Vennootschappen gevestigd in Nederland of Nederlands-Indië, art. 31 en volgende schrijven een openbare mededinging voor het verkrijgen van het recht tot ontginning van een delfstof van Gouvernementswege ontdekt, art. 34 geeft de regels voor de verlenging van een concessie, indien de concessie door tijdsverloop eindigt, art. 35 schrijft voor een vast recht jaarlijks te voldoen van 2,5 cent per ha. voor opsporingswerken, een vastrecht van ƒ0.25 per ha. jaarlijks te voldoen en een jaarlijkse accijns van 4% van de bruto-opbrengst voor concessies.
Vergunningen tot mijnbouwkundige opsporingen worden verleend voor 3 achtereenvolgende jaren en kunnen 2 maal met 1 jaar verlengd worden. Concessie tot ontginning wordt verleend voor een maximum van 75 jaar.
De voorschriften nodig voor de goede werking van de wet en het toezicht op opsporingen en ontginningen in het algemeen belang worden bij ordonnantie vastgesteld.
Dit geschiedde bij de Mijnordonnantie, welke bij Besluit van 12 okt. 1906 (Stbl. No. 434) afgekondigd werd.
Tevens werd bepaald, dat de Indische Mijnwet en de Mijnordonnantie tegelijkertijd op 1 mei 1907 in werking zouden treden.
De Indische Mijnwet is volgens art. 45 behoudens de daarin vastgestelde regeling van de accijns op bestaande concessies van toepassing verklaard. Op verzoek van belanghebbenden kunnen de accijnsvoorschriften ook op hen toepasselijk worden verklaard.
Er is hiervan weinig gebruik gemaakt, zodat voor hen de voorschriften van Stbl. 1874 No. 128, aangevuld bij Stbl. 1915 No. 261, betreffende de accijns van kracht blijven.
Na de pacificatie van de Buitengewesten eiste het belang van het Gouvernement een betere kennis van de bodemschatten van die landstreken. De bevoegdheid van het Gouvernement om zelf opsporingen en ontginningen te verrichten bleek niet voldoende omschreven te zijn in de Indische Mijnwet.
Deze materie werd bij de wet van 26 sept. 1910 (Nederlandsch Staatsblad No. 293, Indisch Staatsblad No. 588) geregeld.
Het Gouvernement werd daarbij gemachtigd zelf opsporingen en ontginningen te verrichten, dan wel met personen of vennootschappen, na machtiging bij de wet verkregen, overeenkomsten te sluiten hetzij tot het ondernemen van ontginningen, hetzij tot het ondernemen van opsporingen en ontginningen. Tevens werd het mogelijk gemaakt terreinen of streken te reserveren voor zulke opsporingen of ontginningen.
De toestanden door de wereldoorlog geschapen maakte het noodzakelijk dat het verlenen van concessies voor ontginning van fossiele brandstoffen (bruin- en steenkolen en aardolie) op andere wijze geregeld dient te worden dan door de Indische Mijnwet voorgeschreven.
De wijziging hiervoor werd neergelegd in de Indische Mijnwet van 20 juli 1918 (Nederlandsch Stbl. No. 466, Indisch Stbl. 1919 No. 4).
Bij deze wijziging worden de delfstoffen verdeeld in z.g. a en b delfstoffen.
De fossiele brandstoffen zijn de b delfstoffen waarbij Jodium is opgenomen, daar Jodiumhoudend water met aardolie kan voorkomen.
De overige delfstoffen zijn de a delfstoffen.
Opsporingen blijven toegelaten voor beide soorten delfstoffen.
Bij ontdekking van een b delfstof krijgt men echter geen recht op concessie tot ontginning meer.
De winning van een zodanige delfstof is aan het Gouvernement voorbehouden.
Krachtens art. 5 kan het Gouvernement een overeenkomst sluiten met personen of vennootschappen, die voldoen aan de in art. 4 van de Indische Mijnwet gestelde eisen.
Voor de uitgifte van het terrein voor opsporing of ontginning aan particulieren wordt het gereserveerd.
Voor de ontdekking wordt door de Gouverneur-Generaal een beloning toegekend, mits vooraf niets is overeengekomen en die ontdekking niet is geschied in een terrein dat gereserveerd is voor b delfstoffen.
Men kan ook overeenkomsten sluiten met het Gouvernement uitsluitend voor mijnbouwkundige opsporingen.
Vroeger gold de reservering van streken of terreinen een reservering voor alle delfstoffen; in de nieuwe wet kunnen terreinen of streken gereserveerd worden voor opsporing en ontginning van bepaalde delfstoffen.
Iets nieuws in deze wet is het z.g. aannemingscontract, een bijzondere vorm van Gouvernementsontginning.
De aannemer ontgint gedurende een overeengekomen tijd de delfstoffen voor het Gouvernement tegen zekere vergoeding.
De toepassing van de Mijnordonnantie 1906 heeft tot vele moeilijkheden aanleiding gegeven, er was te veel tot in details geregeld en te veel nodeloos voorgeschreven; ze was daardoor onoverzichtelijk en stroef in de hanteering.
Ze is herhaaldelijk aangevuld, gewijzigd en tenslotte in 1930 vervangen door de Mijnordonnantie 1930 (Stbl. No. 38 en 380) en door het Mijnpolitie-reglement (Stbl. No. 341), terwijl de algemene voorwaarden, waaronder vergunningen tot het doen van mijnbouwkundige opsporingen en concessies tot mijnontginning worden verleend, afgekondigd zijn in het Indische Staatsblad 1930 No. 348.
De belangrijke wijzigingen zijn: de afzonderlijke regeling van de
mijnpolitie, het verlenen van vergunningen tot het doen van mijnbouwkundige opsporingen door het Hoofd van de Mijnbouw, vroeger door het Hoofd van gewestelijk Bestuur waar de vergunning gelegen is, waardoor de procedure belangrijk bekort wordt.
Inlandse ontginningen.
De Indische Mijnwet is volgens art. 6 (2) niet van toepassing op Inlandse ontginningen.
Diamantgraverijen op Borneo worden verpacht of zijn aan een licentie gebonden.
Voor de winning van delfstoffen niet vallend onder de Indische Mijnwet, waartoe gerekend worden, bauxiet, klei, zand, kalk, tras en andere bouwmaterialen, kaolien en koolzuur enz. is een Vergunning nodig tot winning.
Deze wordt voor niet langer dan 30 jaar verleend tegen een retributie afhankelijk van de grootte van het terrein.
Een volledige staat van verleende concessies tot mijnontginning en van de verleende vergunningen tot winning wordt jaarlijks in het Jaarboek van het Mijnwezen, Algemeen gedeelte, gepubliceerd.


Creatie datum: 23/09/2020 10:14
Categorie: - M
Pagina gelezen 42 keren


Reacties op dit artikel

Er heeft nog niemand gereageerd.

Nieuws van den dag uit het voormalig Nederlandsch-Indië