Zoek
 
Sluiten
INDISCHE ENCYCLOPEDIE
Indopedia
INDOPEDIA
De Indische Encyclopedie
 

Index encyclopedie

Tel. / adres boeken

Recepten, Gerechten

Djamu (Jamu) - medicinale kruiden , planten en vruchten. Ziekten & Kwalen

Indische Boekrecensies

Verhalen

Bladmuziek Krontjong

Bezoekers vanaf jun. '09

 18153628 Bezoekers

 11 Bezoekers online

rss Deze artikelen zijn ook met een RSS reader te lezen. :
https://www.indopedia.nl/data/nl-articles.xml

Naamgeving.

Eigenlijke geslachts- of familienamen zijn bij de Inlanders in het algemeen niet gebruikelijk.
Waar dit wel het geval is, zoals in de Minahasa, de Molukken en sommige eilanden van de Timor-archipel is men onder Europese invloed (veelal ook van het Christendom) daartoe gekomen en onder deze invloed zijn zij ook erfelijk geworden.
Ook in sommige Mohammedaanse streken (Bolaang Mongondou, Gorontalo, Sangie- en Talaud-eilanden) heeft de adel erfelijke geslachtsnamen, vrij stellig ook naar Europees voorbeeld.
Ook het Europees privaatrecht oefent zijn invloed hierop uit.
Inlanders die zich aan dit recht geheel of gedeeltelijk onderwerpen en nog geen geslachtsnaam hebben, dienen er een aan te nemen.
De aan te nemen geslachtsnaam moet door de gouverneur-generaal worden goedgekeurd en wordt van rechtswege ook die van de echtgenote, tenzij deze reeds een geslachtsnaam voert.
De geslachtsnaam mag niet geen naam zijn, die naar Inlandse begrippen een rang of titel aanduidt, dan wel met een rang of titel verband houdt (art. 10 Stb. 1917 no. 12 j° 528).
Met het voortschrijden van de beschaving komen hoe langer hoe meer Inlandse aanzienlijken en kooplieden er toe erfelijke geslachtsnamen aan te nemen, en wel goeddeels om dezelfde redenen, die de Europeanen er toe bracht geslachtsnamen aan te nemen.
(Men vergeet veelal dat in 1825 in Nederland het voeren van een geslachtsnaam nog niet algemeen was, niettegenstaande het imperatieve voorschrift ter zake).
De bevoegdheid tot het verlenen van vergunning tot naamsverandering aan in ’s Lands dienst zijnde of gepensioneerde Inlandse ambtenaren in
Ned.-Indië berust bij de hoofden van gewestelijk bestuur en in de provinciën bij de residenten-afdelingshoofd.
Die bevoegdheid strekt zich niet uit tot die Inlandse ambtenaren die een in een akte van naam aanneming dan wel in een geboorteakte vermelde geslachtsnaam voeren.
Naamsverandering van hen mag alleen plaats hebben uit kracht van een schriftelijke beschikking van de gouverneur-generaal.
De grote massa van de inheemse bevolking echter heeft nog geen geslachtsnaam.
De naamgeving bij deze geschiedt nog volgens voorouderlijke gewoonte.
In de Islamietische streken krijgt het kind kort na de geboorte (3e of 7e dag) een naam, wat in tegenwoordigheid van de dorpsgenoten op feestelijke wijze, door middel van een sëdëkah, plaats heeft.
De keuze van de naam is willekeurig en hangt van allerlei omstandigheden af.
Soms geeft men de namen van de grootouders indien deze nog leven.
De namen kunnen gewone Javaanse of Maleise dan wel Hindoese of Arabische, veelal verbasterd, zijn.
De kort na de geboorte gegeven naam is de kindernaam, die op latere leeftijd door een andere naam wordt vervangen.
Bij de kleinen man op Java geschiedt dit veelal na de geboorte van het eerste kind; de ouders worden dan naar het eerste kind genoemd met voorvoeging van Pak (van Bapak, vader) voor de vader en Bok (Embok, moeder) voor de moeder.
Heet het kind dus Kromo, dan heet de vader Pak Kromo, d.i. de vader van Kromo, en de moeder Bok Kromo.
Deze namen behoudt men dan meestal, tenzij het kind sterft, in welk geval men dan wel de kindernaam weer aanneemt of de naam van het tweede kind.
Een andere reden tot naamsverandering is het ondervinden van voortdurende tegenspoed.
Men probeert het dan eens met een andere naam (om de tegenwerkende geesten te verschalken).
Op Java is het ook algemeen gebruikelijk van naam te veranderen indien men maatschappelijk stijgt.
Regenten en andere hoogwaardigheidsbekleders ontlenen hun nieuwe naam veelal aan het Oud-Javaans (Kawi).
Christeninlanders nemen veelal bijbelse namen aan, vooral in het oosten van de archipel.

In Atjeh geschiedt de naamgeving pas na de kraamperiode, o.i. na den 44e dag.
De teungkoe geeft het kind dan, na raadpleging van zijn kalender, een Arabische naam.
Veelal wordt deze echter niet gebruikt en wordt de betrokkene genoemd naar een willekeurig voorwerp uit zijn omgeving of met een naam ontleend aan zijn uiterlijk.
Naamsverandering uit bijgeloof schijnt er niet voor te komen.

In de Minangkabause landen geschiedt kindernaamgeving en de gewone naamgeving op nagenoeg gelijke wijze als op Java.
Verder heeft men daar nog de galar poesaka, d.i. de in een familie erfelijke naam of titel.
Hierbij mag worden opgemerkt dat men in de Maleise landen geen onderscheid maakt tussen naam en titel.
De woorden „nama” en „galar” betekenen beide zowel „naam” als „titel”.
De galar poesaka wordt geplaatst achter de gewone naam,
dus b.v. Si Seleiman galar Soetan Saripado of Jahja galar Datoek Madjo Lelo.
Deze gaat over op de oudste zusterzoon.
Een en ander houdt verband met het matriarchaat en de soekoeindeling in de Minangkabause landen (zie Minangkabau).
Ieder soekoehoofd (pënghoeloe, in de Bovenlanden met de titel „datoek”) heeft dus vanzelfsprekend een galar.
Ook de orang nan ampat djenis hebben een galar.
Dezelfde galar als de penghoeloe wordt ook wel door andere mannelijke volwassen personen in dezelfde familie gevoerd, echter zonder het predicaat „datoek” dat de penghoeloe is voorbehouden.
De in de galars voorkomende titels soetan, maharadjo, radjo, bagindo enz. geven in de Bovenlanden geen aanduiding van voorname afstamming of rang; wel de titel datoek.
In de Beneden-landen echter duiden deze wel op een zekeren adelstand, al geven zij hieromtrent ook al geen zekerheid meer.
De penghoeloeverheffing met daarbij behorende galarverlening gaat met een gemeenschappelijk feest gepaard.
Zie over de ter zake van het verlenen bevoegde instanties onder Minangkabau.
Ook de Bataks kennen de galars, vermoedelijk onder Maleise invloed.
Ook personen van eenvoudige stand voeren daar een galar.
De kinder- en gewone naamgeving geschiedt eveneens ongeveer overeenkomstig gebruik op Java, met dien verstande dat indien het eerste kind een jongen is, de vader, indien het een meisje is, de moeder de naam geeft.
Het lot (even of oneven aantal rijstkorrels) beslist welke naam het gunstigst is.
Het aannemen van de naam van het oudste kind door de ouders is trouwens een vrij algemeen gebruik in de archipel.
Ook het loten komt bij verschillende stammen voor.
In het gewest Palembang voeren de margahoofden een door de resident erkende „djoeloer”, een spreuk of devies van zeer oude oorsprong met soms onzekere betekenis.
De djoeloer is inherent aan de familie, maar wordt alleen gevoerd door het familiehoofd dat margahoofd is.
In dit gewest is het, naar Arabisch voorbeeld, ook zeer gebruikelijk patronimica te voeren, bv. Said bin Mohammed Noer, d.i. Said zoon van Mohammed Noer.


Creatie datum: 05/10/2020 09:57
Categorie: - N
Pagina gelezen 23 keren


Reacties op dit artikel

Er heeft nog niemand gereageerd.

Nieuws van den dag uit het voormalig Nederlandsch-Indië