Zoek
 
Sluiten
INDISCHE ENCYCLOPEDIE
Indopedia
INDOPEDIA
De Indische Encyclopedie
 

Index encyclopedie

Tel. / adres boeken

Recepten, Gerechten

Djamu (Jamu) - medicinale kruiden , planten en vruchten. Ziekten & Kwalen

Indische Boekrecensies

Verhalen

Bladmuziek Krontjong

Bezoekers vanaf jun. '09

 18109579 Bezoekers

 28 Bezoekers online

rss Deze artikelen zijn ook met een RSS reader te lezen. :
https://www.indopedia.nl/data/nl-articles.xml

Nieuw-Guinee.

De grens tussen het westelijke Nederlandse gebied en oostelijke Australische gedeelte van dit eiland loopt langs de 141e meridiaan, behoudens waar deze de Fly-, de Sepik en de Tami-rivieren zou kruisen. Daar loopt de grens langs deze rivieren voor zover ze ten westen van genoemden meridiaan lopen (zie ook onder Grondgebied).
Het zuidelijke grenspunt is de monding van de Bensbachrivier, het noordelijke de monding van de Tamirivier.
Het gebied behoort tot de residentie van de Molukken: het zuidoostelijk gedeelte ressorteert onder de afdeling Amboina, het noordelijk en
noordwestelijk gedeelte tot de afdeeling Ternate.
De grens tussen deze beide delen loopt over het Nassaugebergte (zie aldaar) en van de Idenburgtop tot Kaap Steenboom.
Het onder Amboina ressorterende gedeelte is geheel rechtstreeks bestuurd gebied, het onder de afdeling Ternate ressorterende gedeelte behoort tot het gebied van het landschap Tidore.
Eerstgenoemd gedeelte bestaat uit de onderafdelingen:

1. Zuid-Nieuw-Guinee en 2. Boven-Digoel; laatstgenoemd gedeelte uit de onderafdelingen: 1. Manokwari, 2. Sorong, 3. Hollandia en 4. West-Nieuw-Guinee (zie voor deze onderafdeelingen op de namen).

Het totaal aantal inwoners van Nederlands-Nieuw-Guinee bedraagt, gedeeltelijk geteld, gedeeltelijk geschat (telling 1930) nog geen 280.000, waaronder een 300-tal Europeanen en ruim 1300 Chinezen.
Dit gebied, dat ruim 11 maal de oppervlakte heeft van Nederland heeft dus 1/30 van het aantal inwoners van Nederland.
Geen wonder dat in tijden van depressie en werkloosheid dit reusachtige, schaars bevolkte gebied algemene belangstelling wekt met het oog op kolonisatiemogelijkheden (zie ook Kolonisatie).
Op initiatief van het Indisch Comité voor wetenschappelijke onderzoekingen en in samenwerking met de regering werd besloten tot een nadere beschouwing van het kolonisatievraagstuk in het algemeen.
De resultaten van een daartoe uitgezonden bodemkundige expeditie waren niet bemoedigend.
Het terrein van onderzoek was uiteraard echter zeer beperkt.
De weinige kennis van het grote gebied is een bezwaar dat niet in een korte spanne tijds kan worden ondervangen.
De drang naar kolonisatie naar Nieuw-Guinee is zodanig toegenomen dat de regering zich niet langer afzijdig kon houden en contact heeft gezocht met de vertegenwoordigers van verenigingen die zich hiervoor interesseren, zoals het Indo-Europees Verbond, de Vaderlandse Club (die in Nederland een comité heeft gevormd dat dit onderwerp bestudeert en belangstelling er voor wekt), de Vereniging Kolonisatie Nieuw-Guinee, de stichting Immigratie en Kolonisatie Nieuw-Guinee te Bandoeng en de stichting Kolonisatie Poeloe Laoet.
Ten slotte is in Nederland door de minister van koloniën een comité Nieuw-Guinee ingesteld, ten einde de minister ter zake van advies te dienen.
Een gelukkig samentreffen van de drang naar kolonisatie op Nieuw-Guinee is het verzoek van de Nederlandse petroleummaatschappijen tot opsporing en ontginning van aardolieproducten aldaar.
Het is duidelijk dat de exploitatie van aardolie (of andere producten van de bodem), ja zelfs de exploratie, de kolonisatie sterk zal kunnen stimuleren.
Kortelings werd bij de Volksraad een wetsontwerp ingediend betreffende het sluiten van 5-a contracten met een Naamloze Vennootschap welke zal worden opgericht door de Bataafse Petroleum Maatschappij, de Nederlandsche Koloniale Petroleum Maatschappij en de Nederlandsche
Pacific Petroleum Maatschappij, voor de opsporing en ontginning van Aardolieproducten op Nieuw-Guinee.
Aan de door de minister van koloniën ondertekende memorie van toelichting is het volgende ontleend:
De overeenkomst zal worden aangegaan voor terreinen met een uitgestrektheid van hoogstens 1.000.000 ha., door die vennootschap te kiezen uit een harerzijds geologisch te exploiteren gebied van
10.000.000 ha.
De exploratietermijn wordt bepaald op tien jaren.
Hetgeen tot dusver omtrent de geologie van Nieuw-Guinee bekend is levert nog geen aanwijzing op voor een lonende mijnindustrie aldaar.
De aan de opsporing verbonden kosten gaan de draagkracht van de landsbegroting nu en voor de naaste toekomst ver te boven.
(Opgemerkt zij dat 5-A contracten zijn contracten krachtens artikel 5-A van de Indische Mijnwet, volgens hetwelk het gouvernement bepaalde streken voor zich zelf kan reserveren, waardoor deze streken niet meer door particulieren mogen worden geëxploiteerd.
Exploiteert het gouvernement niet zelf, dan kan het met particulieren een contract - het 5-A contract - sluiten.
Het Land heeft dan het voordeel van vast recht, accijns en een aandeel in de nettowinst, benevens het indirecte voordeel verbonden aan de openlegging van ontoegankelijke streken met de daaraan verbonden werkverschaffing).
Volgens de jongste persberichten (ontleend aan de „Pacific Islands Monthly”) heeft in de maanden maart-juli 1933 een economische verkenning plaats gehad in het centrale bergland van Australisch Nieuw-Guinee, ongeveer 300 km. van de grens met het Nederlandse gebied.
Aan de landexpeditie ging een luchtverkenning vooraf.
Het resultaat was de ontdekking van een groot, zeer vruchtbaar plateau met een aangenaam, gematigd klimaat en dicht bevolkt met bekwame landbouwers; de bevolking werd hier op circa 300.000 zielen geschat.
Nog een ander belangrijk feit werd geconstateerd, namelijk dat zich ten westen van deze streek, dus nog dichter bij het Nederlandse gebied nog een dergelijke hoogvlakte bevindt.
Ook daar zijn de rijke, uitgestrekte hooglanden bebouwd en vermoedelijk dicht bevolkt.
Het vermoeden is gewettigd dat men hier een bergketen heeft welke een voortzetting is van het Nassau-gebergte in Nederlands Nieuw-Guinee.
In dat geval ligt het voor de hand dat zich ook daar dergelijke terreinen bevinden welke geschikt zijn voor kolonisatie van Europeanen.
Zouden echter alle vruchtbare gebieden inderdaad reeds een dichte bevolking hebben dan zou het kolonisatieprobleem voor Europeanen daarmede evenmin zijn opgelost.
De enorme kosten verbonden aan een kolonisatie voor Europeanen in zo ver van de kusten en van afzetgebieden gelegen streken zullen wellicht mede een onoverkomelijk bezwaar blijken.
In elk geval openen de gedane ontdekkingen nieuwe perspectieven. Volledigheidshalve zij hiermee vermeld dat men in het Australisch gedeelte zocht naar goudrijke gebieden.
De inboorlingen van Nieuw-Guinee worden door de omwonenden Inlander Papoea’s genoemd, hoewel ze zowel in uiterlijk voorkomen als in zeden en gewoonten, maar vooral in de taal onderling zeer verschillen.
Men onderscheidt in dit opzicht de volgende vijf gebieden:

  1. Een gedeelte van de noordwestkust met de eilanden Waigeo, Batanta, Salawati en Misoöl met omliggende kleinere eilanden. De kustbewoners zijn sterk vermengd met Makassaren, Boeginezen, Cerammers, enz. De oorspronkelijke bevolking huist in het gebergte.
  2. De gebieden om de Mac Cluer Baai. Het gedeelte ten noorden van deze baai wordt om zijn vorm gewoonlijk „Vogelkop” genoemd. Op dit schiereiland vindt men vrij hoge toppen, o.a. het Lina gebergte (2780 m.) en het Arfak gebergte (2950 m.), ten noorden waarvan aan de kust ligt de hoofdplaats Monokwari van de gelijknamige onderafdeling. Op het schiereiland ten zuiden van de Mac Cluer Baai ligt Fakfak, de hoofdplaats van de onderafdeling West-Nieuw-Guinee, ook dit schiereiland is gedeeltelijk bergachtig.
  3. De verdere zuidkust tot aan het Australisch gebied. Hierin de Argoeni-, Etna- en Flamingobaaien. Aan deze kust monden enige grote rivieren uit, die in de benedenloop bevaarbaar zijn voor grote zee-stomers. De grootste van deze rivieren is de Digoelrivier [zie Digoel (Boven)]. Zij ontspringt in het Centrale bergland waar dwergstammen (zie aldaar) zijn aangetroffen. Zij zijn vreesachtig en vreedzaam. In het stroomgebied van de Digoelrivier en tussen deze rivier en de Eilandenrivier zijn vrij talrijke inheemse nederzettingen, alle koppensnellers, zowel aan de kust als in de binnenlanden. Nog kort geleden (eind 1933) zijn een paar van Tanah Merah (hoofdplaats van de onderafdeling Boven Digoel) gevluchte geïnterneerden gesneld, waarvoor een strafexpeditie werd gestuurd. Aan de zuidoostkust Merauke, de hoofdplaats van de onderafdeling Zuid-Nieuw-Guinee:
  4. De strook langs de Geel-vink-Baai tot Kaap d’Urville en daartoe behorende eilanden.

Van de bewoners zijn het talrijkst de Noemforen van de
Schouten-eilanden, de noordkust van Japen en een deel van de noord- en westkust van de Geelvinkbaai.
Zij heten naar het eilandje Noemfor, op de kaart aangeduid als Mefoor.
De door deze Papoea’s gesproken taal, van zuiver Maleis-Polynesische stam, wordt Noefoors of Mafoors genoemd.
V. De strook van Kaap d’Urville tot de Australische grens.
Bij genoemde kaap valt de grootste rivier van Nieuw-Guinee, de Mamberamo (zie aldaar) in zee.
De Utrechtse Zendingsvereniging is werkzaam aan de Geelvinkbaai en op Japèn en te Hollandia, de hoofdplaats van de gelijknamige onderafdeling. Ook de Rooms-Katholieke missie werkt op Nieuw-Guinee (het Apostolisch vicariaat van Ned.-Nieuw-Guinee, met hoofdzetel te Toeal op Klein-Kai).
De voornaamste voortbrengselen van Nieuw-Guinee zijn kopra, nootmuskaat, damar, tripang en schildpad.


Creatie datum: 05/10/2020 10:56
Categorie: - N
Pagina gelezen 19 keren


Reacties op dit artikel

Er heeft nog niemand gereageerd.

Nieuws van den dag uit het voormalig Nederlandsch-Indië