Zoek
 
Sluiten
INDISCHE ENCYCLOPEDIE
Indopedia
INDOPEDIA
De Indische Encyclopedie
 

Index encyclopedie

Bandung adresboek

Recepten, Gerechten

Djamu (Jamu) - medicinale kruiden , planten en vruchten. Ziekten & Kwalen

Indische Boekrecensies

Verhalen

Bladmuziek Krontjong

Bezoekers vanaf jun. '09

 18103167 Bezoekers

 25 Bezoekers online

rss Deze artikelen zijn ook met een RSS reader te lezen. :
https://www.indopedia.nl/data/nl-articles.xml

Oudheden.

Voordat de Hindoe-invloed zich in de Indische archipel deed gelden, hadden de bewoners uiteraard een eigen of van elders beïnvloede ontwikkeling.
Hiervan is nog niet veel bekend, en de belangstelling daarvoor dateert pas uit de laatste jaren.
Van de prehistorische oudheden mag slechts worden vermeld de vondsten van Dr. von Stein Callenfels, laatstelijk die in 1933 in de westelijke Toradjalanden langs de Soengai Karama.
De in de benedenloop van die rivier gevonden voorhistorische stenen, bijlen en aardewerk vertegenwoordigen het normale jong neolithicum van de archipel, die aan de bovenloop zijn belangrijker en bewijzen het bestaan aldaar van een veel ouder proto-neolithicum dan het door hem van Noord-China tot Java gevonden en een overgang naar de zeer primitieve Papoea-Melanesoidencultuur.
Omstreeks 2500 jaar vóór Christus zouden de bewoners van de Karama-vallei cultuur hebben gekregen uit de Filippijnen.
Oudheden uit het Hindoe-tijdperk zijn vrij talrijk aanwezig, vooral op Java.
Men kan op Java drie centra van Hindoe-cultuur onderkennen, nl. één in West-, één in Midden- en één in Oost-Java.
Aannemelijk is ook dat de Hindoe-invloed zich in deze volgorde heeft ontwikkeld, met dien verstande dat de grootste ontwikkeling in Midden-Java heeft plaats gehad.
De inscripties namelijk van West-Java zijn de oudste; er blijkt tevens uit dat de Hindoes aldaar Wishnoe vereerden en dus geen Boeddhisten waren, hetgeen overeenstemt met het bericht van Fa Hiën, de Boeddhistische Chinese reiziger die aanvang 5e eeuw na Christus Java bezocht.
Het schrift van deze opschriften, het Wenggi-schrift duidt er op dat de toenmalige Hindoes van West-Java uit Dekhan (Zuid-Brits-Indië) kwamen.
Met de toename van de Hindoe-immigratie op Java zijn zij verder getrokken naar Midden-Java, waarbij tevens de kolonisatie van West-Java verliep.
In Midden-Java echter zijn de Hindoes geen vereerders van Wishnoe maar van Qiwa; daarnaast vindt men Boeddhistische Hindoes.
Het oudste Hindoe-opschrift van Midden-Java is dat van koning Sandjaja in het zuiden van Kedoe en dateert van 732 A.D. (654 Çaka), eveneens in Wenggi-schrift.
Het oudste Boeddhistische opschrift van Midden-Java is van 778 A.D
(700 Çaka) op een steen van de tjandi Kalasan.
Dit duidt er op dat de Boeddhisten er later zijn gekomen dan de Çiwaisten.
Het schrift is ook anders, het is van het Negari-type van het noorden van Brits-Indië.
Ook de bouwstijlen zijn verschillend.
Die van de Boeddhisten komt overeen met die van Noordwest-Hindostan, de hoog ontwikkelde bouwkunst die aan Midden-Java de ereplaats geeft.
Alles duidt er op dat Qiwaisme en Boeddhisme in Midden-Java geruime tijd naast elkaar hebben bestaan en wel in de beste verstandhouding.
De Boeddhistische bouwwerken van Midden-Java kunnen de vergelijking met de beste bouwwerken van Brits-Indië glansrijk doorstaan.
Zij behoren tot de schitterendste specimina van hetgeen er op dit gebied bekend is.
Genoemd mogen hier worden de Tjandi Kalasan, de Tjandi Sari, de Boroboedoer, de Tjandi Mëndoet, de Tjandi Sèwoe enz.
Slechts één Çiwaitisch bouwwerk evenaart de genoemde Boeddhistische kunstwerken, nl. de Tjandi Prambanan.
Afgaande op het aantal Çiwaitische en het aantal Boeddhistische opschriften, mag worden aangenomen dat de Hindoe-Javaanse maatschappij in Midden-Java voornamelijk Çiwaitisch is geweest.
Hoezeer deze beide sekten eendrachtig naast elkaar leefden, mag toch worden aangenomen dat allengs het Çiwaisme in Midden-Java het Boeddhisme heeft verdrongen, evenals in Brits-Indië het geval is geweest.
Daar was dat proces omstreeks 828 A.D. (750 Çaka) voltrokken.
Wanneer dit in Midden-Java is gebeurd is niet bekend.
Daar duurde de Hindoe-periode tot omstreeks 928 A.D. (850 Çaka).
Intussen ziet men op de opschriften in plaats van het Sanskrit (zowel in Wenggi- als in Negaraschrift) het Javaans optreden.
Daardoor komt een Javaanse literatuur op, het oud-Javaans (zie aldaar). Deze is Çiwaitisch.
Het Boeddhisme van Midden-Java was Mahayanistisch, hetwelk kan worden beschouwd als een compromis tussen Boeddhisme en Hindoeïsme.
De bouwtrant (de Tjandi Sèwoe en de Tjandi Prambanan hebben grote overeenkomst met elkaar) en de beelden welke de góden van ieders pantheon voorstellen, duiden ook hierop.
Waardoor een einde is gekomen (928) aan de krachtige Hindoecultuur van Midden-Java is onbekend.
Vóór dit einde echter (omstreeks 878 A.D., 800 Çaka) had zich in Oost-Java eveneens een Hindoecentrum gevormd.
De oudste inscriptie daar dateert zelfs al van 682 Çaka.
De Hindoe-invloed aldaar heeft zeer lang geduurd; hij eindigt pas  omstreeks 1478 A.D. (878 Çaka).
Het Hindoeïsme van Oost-Java was eveneens Çiwaitisch.
Ook het Boeddhisme schijnt hier ingang gevonden te hebben, doch in veel mindere mate en later dan in midden-Java.
In Oost-Java heeft zich de Hindoe-invloed voornamelijk doen gelden in het zuiden van Soerabaja, in Kediri en in het noorden van Pasoeroean.
Evenals in midden-Java ziet men ook hier het oud-Javaans voor de opschriften gebruiken.
Die literatuur is eveneens Çiwaitisch.
Het is de periode van koning Erlangga en Soerabaja is het centrum.
Daarna komt Kediri op, om omstreeks 1144 Çaka plaats te maken voor het rijk van Singasari (Pasoeroean).
Na korte weder opkomst van Kediri sticht Raden Widjaja het rijk Madjapait in het Soerabajase, wat een krachtiger Hindoe-leven op Java tot gevolg had.
Met name leefde de Hindoe-Javaanse cultuur krachtig op.
De beste Javaanse literatuur ontstond echter in de voorafgaande drie eeuwen, waarin ook de regering van Djajabaja viel.
Het Boeddhisme, evenals in midden-Java Mahayanisch, is in oost-Java nimmer zo tot bloei gekomen als in midden-Java.
Grote Boeddhistische bouwwerken worden er niet aangetroffen.
Men vindt er, anders dan in midden-Java waar de beide sekten zelfstandig naast elkaar bleven bestaan, een vermenging van Hindoeïsme en Boeddhisme. Niettemin zijn de Boeddhistische beelden uit deze (jongere, ongeveer 1300 Çaka) periode van grote kunstwaarde.
Allengs dringt de Hindoe-Javaanse cultuur ook door op Madoera en nog oostelijker op Java.
Het aantal Hindoe-oudheden op Java is dan ook legio en komt voor een opsomming hier niet in aanmerking.
De allerbelangrijkste vinden behandeling op de naam.
Ook in de gewesten buiten Java worden allerwege Hindoe-oudheden aangetroffen, maar lang niet in die mate en van zo monumentale stijl als op Java.
Het eiland Sumatra volgt ook in dit opzicht op Java.
Op Sumatra ’s westkust mogen worden vermeld de bakstenen stoepa en een vijftal andere bouwwerken bij Moeara Takoes aan de Kampar Kanan (onderafdeling Bangkinang).
In de onderafdeling Fort van der Capellen worden vele inscripties aangetroffen van de vorst Adityawarman uit de 13e eeuw Qaka.
Te Pagarroejoeng, de vroegere zetel van de Minangkabause vorsten, nabij de onderafdelingshoofdplaats Fort van der Capellen is een aantal stenen met inscripties bijeengebracht.
Bij Saroeaso in dezelfde onderafdeling de batoe bapahat (d.i. de met een beitel gegrifte steen) nabij de gerestaureerde Hindoewaterleiding voor irrigatie van de sawa’s.
De beelden te Rambatan en Loeboekboelan aan de Boven-Batanghari (zie afbeelding) (onderafdeling Sidjoendjoeng), het ene vier meter lang Boeddha met voetstuk, het andere met opschrift van Adityawarman van 1269 Çaka.
In Tapanoeli de omvangrijke Biara Si Pamoetoeng, in Benkoelen een steen te Bawang met oud-Javaanse inscriptie uit 966 Çaka.
In de residentie Palembang het meest in de onderafdeling Lematang Hilir (tjandi’s en beelden).
In Djambi in de buurt van de hoofdplaats Djambi.
In de oostkust van Sumatra de Hindoe-ruïnes te Kotapinang (Siak) en te Katobenoewang (Rokan) en een bakstenen gebouw aan de bovenloop van de Batoebara.
In de westerafdeling van Borneo de ruïnes van een bouwwerk te Sanggau en een aan de Sekajam.
In de zuider- en oosterafdeeling van Borneo worden de meeste en belangrijkste oudheden aangetroffen in Koetai, o.a. vier stenen in Wenggi-schrift te Moearakaman met inscripties van koning Moelawarman, en verder stenen beelden en tempelruïnes.
Op Bali een Çiwaitische tjandi bij Boeleleng.
Verder op Bima en Ceram.
Oude keteltrommen (niet van Hindoe-oorsprong, vermoedelijk Chinees) zijn gevonden op Salaier (eiland ten zuiden van het zuidwestelijk schiereiland van Celebes), op Roti (Timor) en enige Ambonese eilanden.
Aan Mohammedaanse oudheden - voornamelijk graven - is vooral Atjeh rijk: marmeren praalgraven te Koetakareuëng en de graven te Gampöng Samoedra en Teungkoe di Balè aan de Pasè-rivier, waar tal van Soeltans zijn begraven en waaruit de geschiedenis over het voormalige rijk Pasai (Pasè) gedurende ruim twee eeuwen (van 1297 A.D. af) is te reconstrueren met de betrokken data.
De grafmonumenten blijken evenals die van Grësik op Java te zijn vervaardigd te Cambay in Voor-Indië.

Ook van vorsten van Atjeh, van Daja en van Pidië zijn graven aangetroffen.
De inscripties zijn in Arabisch schrift, één zelfs in oud-Javaans letterschrift.
Verder zijn in Atjeh oude munten en zegelafdrukken gevonden.
De Palembangse oorkonden (waarvan de oudste van omstreeks 1650 A.D.) zijn alle in het Javaans met Javaans letterschrift.
De grafsteen nabij Gresik op Java, daterend van 1102 A.D.. eveneens in Arabisch letterschrift, is de oudste Mohammedaanse oorkonde in de archipel gevonden.
Te Gresik is ook begraven de Mohammedaanse heilige Malik Ibrahim, blijkens zijn grafschrift overleden in 1419 A.D.
Over Java zijn talloze oude graven verspreid, van welke er vele als heilige graven worden vereerd.
Te Plèrèd nabij Jogjakarta is nog de ruïne van de kraton van Mangkoerat I en te Pasar Gedé die van de eerste vorst van Mataram Panëmbahan Senopati.
Verder bestaan munten, piagëms (zie aldaar) en rijks sieraden van voormalige Mohammedaanse rijken op Java.
De oudst bekende munt is vermoedelijk uit de 16e eeuw en van Bantam.
De oudste piagëm is eveneens van Bantam (Bantèn), dateert van 1662 en heeft betrekking op de Lampongs.
Nederlandse oudheden in de archipel hebben in het algemeen geen kunstwaarde.
Deze oudheden bestaan grotendeels uit ruïnes van forten uit de Compagnietijd, welke over de gehele archipel verspreid liggen.
Te Batavia is nog aanwezig de onder Van Imhoff gebouwde poort van het Kasteel van Batavia.
Het stadhuis te Batavia, tegenwoordig kantoor van de gouverneur van West-Java, is in 1710 voltooid.
Van de oude landhuizen in en om Batavia zijn de meeste verdwenen.
Nog slechts enkele zijn bewaard gebleven en gerestaureerd.
Van de oude kerken te Batavia is slechts de Portugese buitenkerk intact.
Te lang heeft de overheid zich weinig of niets gelegen laten liggen aan de Nederlandse oudheden.
Belangrijke verandering ten goede is daarin gekomen door de instelling van de oudheidkundigen dienst (zie aldaar).
Met de bouw van het voormalige paleis aan het Waterloo-plein te Batavia (waarin thans gouvernementsbureaus zijn ondergebracht) werd in 1809 onder Daendels begonnen.
Het werd voltooid in 1828 onder du Bus de Gisignies.
Het landvoogdelijk paleis te Rijswijk, oorspronkelijk een landhuis uit het einde van de 18e eeuw werd door Daendels als paleis in gebruik genomen.
Het werd midden 19e eeuw verbouwd in zijn huidige vorm met aanbouw aan het Koningsplein.
Het paleis van de gouverneur-generaal te Buitenzorg dateert van 1744, werd in 1834 door een aardbeving vernield en daarna weer herbouwd.
Voor het gedenkteken aan Pieter Erberfelt, zie Erberfelt (Pieter).


Creatie datum: 01/12/2020 09:50
Categorie: - O
Pagina gelezen 11 keren


Reacties op dit artikel

Er heeft nog niemand gereageerd.

Nieuws van den dag uit het voormalig Nederlandsch-Indië