Zoek
 
Sluiten
INDISCHE ENCYCLOPEDIE
Indopedia
INDOPEDIA
De Indische Encyclopedie
 

Index encyclopedie

Bandung adresboek

Recepten, Gerechten

Djamu (Jamu) - medicinale kruiden , planten en vruchten. Ziekten & Kwalen

Indische Boekrecensies

Verhalen

Bladmuziek Krontjong

Bezoekers vanaf jun. '09

 18103158 Bezoekers

 30 Bezoekers online

rss Deze artikelen zijn ook met een RSS reader te lezen. :
https://www.indopedia.nl/data/nl-articles.xml

Overlijden.

Door de vele volksstammen met verschillende beschaving, bestaan in de archipel vele methoden van lijkbezorging.
Sommige stammen werpen de lijken in het bos weg.
De meer beschaafde volken begraven ze, zetten ze weg in kisten en trachten ze soms te bewaren.
Bij de Javanen is de zorg voor de lijken vrij gering.
Voordat het Hindoeïsme zijn invloed deed gelden, wierp de Javaan vermoedelijk de lijken weg.
De Hindoes verbrandden ze.
Bij de massa heeft het Hindoeïsme op Java echter nooit diep wortel geschoten.
Tegenwoordig wordt op Java het lijk gewikkeld in een laken en verder behandeld volgens de ritus van de Islam.
Het lijk wordt gewassen.
In het water wordt soms tamarinde, zout of as gedaan.
Daarna wordt het 3, 5 of 7-voudig in een laken gewikkeld.
Dit wordt ook op 3, 5 of 7 plaatsen samengebonden.
De dorpsgodsdienstbeambte spreekt het gebed uit.
Wierook en lichtjes worden gebrand.
De lijken worden zeer snel begraven, vermoedelijk omdat door het warme klimaat het ontbindingsproces sneller verloopt.
Bij aanzienlijken wordt het lijk soms over verre afstand vervoerd; dan wordt een kist gebruikt.
In de vorstenlanden is dit zoo goed als altijd het geval.
De lijkstoet wordt gevormd door allen die er belang in stellen.
Meestal gaat het vervoer gepaard met luid geschreeuw (bestaande uit de Mohammedaanse geloofsbelijdenis) om de geesten te verjagen.
Men loopt op een drafje.
Was de dode iemand van aanzien, dan beschouwt de bevolking het als een plicht, een handje te helpen.
Dan worden de dragers snel afgewisseld; soms raakt men de baar alleen maar aan. Soms hebben vechtpartijen plaats om deze eer deelachtig te worden.
Regelmaat bestaat niet.
De godsdienstbeambte loopt voorop, gekleed in het wit.
Een kleine statiepajong wordt boven het lijk gehouden en wierook wordt gebrand.
Langs de weg wordt ook wel koper geld gestrooid, wellicht ook om geesten te verdrijven.
Dit is een vrij algemeen Oost-Aziatisch gebruik (China, Japan).
Het graf bestaat uit een kuil met een gat waarin het lijk past, aan de ene kant van de bodem.
Achter het lijk wordt een plank geplaatst, soms een afdakje.
De richting waarin het lijk ligt is met het hoofd naar Mekka.
De uitholling dient daarvoor dat de dode - die immers in het graf nog voortleeft - kan opzitten.
Ook de ziel blijft in de buurt.
Na de begrafenis dalen de twee Mohammedaanse doodsengelen Nakir en Monkar af, die de dode komen ondervragen, in de eerste plaats naar de geloofsbelijdenis.
De windsels worden vóór het sluiten van het graf losgemaakt.
Wordt het lijk in een kist begraven dan moet deze hoog genoeg zijn om er in rechtop te zitten, dan wel het deksel wordt in het graf er af genomen en over het afdakje gelegd.
De windsels worden weer naar huis meegenomen; die hebben dan toverkracht.
Er wordt een grafgebed (donga koeboer) uitgesproken.
Het lijk moet per se de aarde raken, dus wanneer een kist wordt gebruikt moet op de bodem van de kist aarde zijn gestrooid.
Aan de Javaanse kerkhoven wordt in het algemeen weinig zorg besteed.
De graven welke worden onderhouden hebben een herkenningsteken: twee kleine houten paaltjes aan hoofd- en voeteneinde.
Deze paaltjes zijn bij de mannen puntig, bij de vrouwen afgeplat.
Soms komt er grafheuveltje, een enkele maal zelfs van rolstenen.
Wanneer een graf een roep van heiligheid krijgt, dus kramat (zie aldaar) wordt, dan wordt er een afdakje boven gemaakt, soms van steen.
Bij hogere graad van heiligheid wordt het graf een bedevaartplaats; dan wordt er steeds wierook gebrand en een bewaker aangesteld.
Soms worden in het sterfhuis koranlezingen gehouden.
Maar in het algemeen wordt van de begraafplaatsen weinig notitie genomen.
Soms wordt een Jatrophasoort die moeilijk is uit te roeien op het graf geplant.
Er is een rouwtijd voor moeders en dochters, die zich gedurende ongeveer 30 dagen na het overlijden niet mogen opschikken en niet mogen feestvieren.
Elders, bij niet-geïslamiseerde volken, bijvoorbeeld bij de Dajaks, is de zorg voor het lijk, voor zover de ziel daarbij is betrokken, zeer groot. Bij de primitief denkenden is het lijk niet dood, maar leeft de ziel daarin nog enige tijd voort.
Er wordt daarom ontzettend veel lawaai gemaakt, primo om de ziel te beletten weg te gaan en om de boze geesten te beletten de ziel weg te halen.
De boze geesten moeten worden verschrikt; zij zijn bang voor rumoer. Huilen en weeklagen gebeurt voornamelijk door vrouwen.
Wanneer wordt geofferd, moet ook worden gehuild.
Het lijk wordt met rijst bestrooid; de ziel krijgt een lichtje mee.
Het lijk wordt opgemaakt en geverfd; het krijgt ook een extra verschoning en allerlei daagse zaken mee.
De doodkist bestaat uit twee halve boomstammen.
Bij het kisten van het lijk wordt eveneens een geweldig rumoer gemaakt als een laatste poging tot terugroepen tot het leven.
Het gebruik van doodkisten is een oud-Polynesisch gebruik.
Bij het leven reeds spaart men voor de lijkuitzet.
Het lijk wordt wel eens in de kampong zelf bewaard, maar toch liefst er buiten, bovenstrooms, daar ligt het zielenland.
De kist wordt op palen geplaatst en er boven komt een dakje.
Ook wel worden versieringen aangebracht.
Aan het voeteneinde van de kist is een gat, waaruit het vocht kan wegvloeien.
Dit vocht waarin de ziel zit, of minstens zielstof, wordt in een pot bewaard.

De rouw bestaat uit slecht of niet kleden.
De goede kleren worden dus pali verklaard ten behoeve van de overledene. Men schikt zich niet op, eet slechte spijzen of vast; het goede is dus weer pali ten behoeve van de dode.
Zelfs tuinen, rivieren, enz. worden pali verklaard.
Ook de tijd wordt pali genoemd (zie ook Rouw).
Er wordt een uitvaartfeest (tiwafeest) gevierd.
In deze periode wordt het graf gemaakt; het is niet diep, want de graver durft er niet in te gaan.
Op het graf wordt wederom gehuild en geweeklaagd.
Er wordt een ruw gesneden beeld op geplaatst als hulplichaam voor de ziel.
Dan wordt het graf offerplaats.
Iemand die door een ongeluk sterft, wordt geacht onder invloed van boze geesten te hebben gestaan.
Daarom wordt van het lijk van zo iemand geen werk gemaakt; het wordt eenvoudig in het bos geworpen.
Aanzienlijken krijgen een luisterrijk tiwafeest, dat een stamfeest wordt; tot op dit moment was alles pali.
In een speciaal daarvoor gebouwde open loods worden de offerwaren uitgestald.
Op de rivier heeft een optocht van prauwen plaats onder veel lawaai. Basirs en balians (priesters) komen er bij te pas.
Op deze wijze wordt het lijk gebracht en weer teruggehaald.
In de loods zijn rode harslampen geplaatst.
Het gedeelte van de rivier dat pali is verklaard wordt door palen
boven- en benedenstrooms aangeduid.
Beelden (hampatong) worden opgericht; deze laat men na afloop van het feest staan.
Gedurende de feestelijkheden hebben ware smulpartijen plaats.
’s Nachts waren de spoken rond.
De volgende dag worden varkens geslacht, waarvan de koppen worden opgesteld.
Ook gesnelde mensenhoofden worden opgesteld.
De zoons van de overledene zwaaien als waanzinnigen met hun zwaard in het rond om de een of andere pandeling of slaaf te vellen.
Dan worden dus mensenoffers (kabaliks) gebracht.
De lijken van de slachtoffers worden verbrand en de as wordt bij de overledene geplaatst.
Of wel het lijk wordt dubbel gevouwen met het zitvlak naar boven; in de anus wordt dan een stekje van een plant, de sabang darah (deze wordt ook op kerkhoven op Java veel geplant) gestoken.
De ziel heet karahang.
Aan het mensen offeren is onder invloed van het gouvernement een einde gekomen.
Behalve veel gegeten wordt er ook veel toewak gedronken.
Nu wordt er geofferd voor de goden die de zielen goed moeten overbrengen naar het zielenland.
Ook hierbij verlenen de basirs en balians hun diensten.
Het lichaam van de dode waarvoor het feest is gegeven, wordt in een andere kist gedaan; daarbij worden de lichamen van de gevelde slaven gelegd en zo wordt het vervoerd naar een soort familiegraf (sandong).
Bij deze bijzetting hebben weer bezweringen plaats.
Sommige sandongs bevatten meerdere kisten.
Ook wel verbrandt men de oorspronkelijke kist met de inhoud en plaatst de as in de sandong.
De zwervende Dajakstammen zetten de doden wel bij in grotten en bomen.
De sandong is dus het embryo van de tempel.
Andere tempels hebben de Dajaks niet.
Dagen na het feest hebben nog drinkgelagen plaats in bijeenkomsten in de loods.
Dan worden ook van een lang stuk rotan stukken af gehakt; elk stuk betekent een kostbare zaak, afgestaan aan de dode.
Na het feest gaat men baden in de rivier door de prauwen te laten kantelen.
Dit betekent een soort reiniging van boze geesten die aan hen mochten kleven.

Voordat het tiwafeest is afgelopen mag de weduwe niet hertrouwen.
Het koppensnellen (zie aldaar) staat in verband met het offeren van mensen aan een overledene.


Creatie datum: 01/12/2020 10:03
Categorie: - O
Pagina gelezen 24 keren


Reacties op dit artikel

Er heeft nog niemand gereageerd.

Nieuws van den dag uit het voormalig Nederlandsch-Indië