Zoek
 
Sluiten
INDISCHE ENCYCLOPEDIE
Indopedia
INDOPEDIA
De Indische Encyclopedie
 

Index encyclopedie

Recepten, Gerechten

Djamu (Jamu) - medicinale kruiden , planten en vruchten. Ziekten & Kwalen

Indische Boekrecensies

Verhalen

Bladmuziek Krontjong

Bezoekers vanaf jun. '09

 17901949 Bezoekers

 12 Bezoekers online

rss Deze artikelen zijn ook met een RSS reader te lezen. :
https://www.indopedia.nl/data/nl-articles.xml

Bevolking van Ned.-Indië (Staatsrechtelijke Indeling).

Staatsrechtelijk worden de inwoners van Ned.-Indië op drie wijzen verdeeld en wel:

  1. in ingezetenen en niet-ingezetenen;
  2. in Nederlanders en andere Nederlandse onderdanen enerzijds en vreemdelingen anderzijds;
  3. in groepen onderworpen aan de bepalingen voor Europeanen, aan die voor Inlanders en aan die voor Vreemde Oosterlingen.

Ad. 1: Ingezetenen en niet-ingezetenen.

Voor het ,,Indisch ingezetenschap” is nodig het daadwerkelijk gevestigd zijn in Indië en alsdan een vestiging niet in strijd met de bepalingen omtrent de toelating en vestiging in Indië (art. 160 LS. en het Toelatingsbesluit. (Zie aldaar).
Het ingezetenschap gaat verloren zodra aan bovengenoemde voorwaarden niet meer wordt voldaan.
Een afwezigheid buiten Indië van 18 maanden schept het vermoeden, dat de afwezige opgehouden heeft in Indië gevestigd te zijn, welk vermoeden echter voor tegenbewijs kan wijken. Het ingezetenschap wordt vereist voor het lidmaatschap van vertegenwoordigende lichamen zoals de Volksraad, de provinciale raad, de regentschaps- en stadsgemeenteraad en geeft overigens
verschillende rechten en bevoegdheden (art. 35 I.S., art. 4 en 39 van de Mijnwet) en legt bepaalde verplichtingen op (art. 167/8 I.S.).

Ad 2: Nederlandsche onderdanen en Vreemdelingen.

De bevolking van Indië bestaat uit Nederlandse onderdanen en vreemdelingen.
De eerste zijn leden van de Nederlandse Staat.
Zij worden weer onderscheiden in allen, die ,,Nederlander” zijn volgens de Wet op het Nederlanderschap van 12 December 1892, Ned. Stbl. 268 en voorts in hen die vallen onder de bepalingen van de Wet van 10 februari 1910, Ned. Stbl. 55, Ind-Stbl. 296, welke regeling eerst al-
leen voor de bevolking van Ned.-Indië gold, doch die bij de wet van 10 Juni 1927, Ned. Stbl. 175,
Ind. Stbl. 418 ook werduitgebreid tot de bevolking van Suriname en Curaçao.

Het Nederlanderschap verkrijgt men door geboorte (vnl. langs het afstammingsbeginsel), naturalisatie en, wat de vrouw betreft, ook door huwelijk.
Het Nederlanderschap gaat verloren door naturalisatie in een ander land, door huwelijk van een
Nederlandse vrouw met een niet-Nederlander, door het verkrijgen van vreemde nationaliteit door de
wil van de verkrijger, door zonder verlof van de Kroon zich te begeven in vreemde krijgs- of staatsdienst, door langdurig verblijf buiten het koninkrijk, tenzij de betrokkene tijdig aan de daarvoor
aangewezen autoriteiten kennis geeft Nederlander te willen blijven.

Van alle ambten wordt alleen voor dat van Gouverneur-Generaal het Nederlanderschap vereist.
Voor de samenstelling van vertegenwoordigende lichamen en het actief kiesrecht kent men als groepen van de bevolking: onderdanen-Nederlanders, inheemse onderdanen niet-Nederlanders,
uitheemse onderdanen niet-Nederlanders.

De wet op het ,,Nederlands onderdaanschap" dient ook om een Staatsrechtelijke betrekking tussen de inlandse bevolking en het Koninkrijk te scheppen, welke door de wet van 1892 niet geregeld
was.

Het Nederlands onderdaanschap verkrijgt men door geboorte, feitelijke vestiging en t.a.z. van de
vrouw ook door huwelijk.
Bij de geboorte wordt echter niet als bij de wet op het Nederlanderschap, het afstammingsbeginsel
voorop gezet maar het territorialiteitsbeginsel (het jus soli) en dit uit hoofde van het ontbreken van
een burgerlijke Stand voor het grootste deel van de Oosterse bevolking.

Onderdanen zijn:

  1. zij, die in Ned.-Indië (Suriname en Curaçao) zijn geboren uit ouders aldaar gevestigd, of, is
  2. Vader niet bekend, uit een aldaar gevestigde moeder;
  3. zij, die in Indië (Suriname en Curaçao) zijn geboren uit ouders, die niet bekend zijn;
  4. de buiten Indië (Suriname en Curaçao) geboren ongehuwde kinderen van een onderdaan, als bedoeld in art. 1 van de wet op het onderdaanschap, zolang zij nog geen 18 jaar zijn.

Door feitelijke vestiging worden nog onderdanen, zij, die buiten Ned.-Indië (Suriname en Curaçao) geboren zijn uit ouders, die onderdanen zijn volgens deze wet, wanneer zij na hun huwelijk of het
bereiken van hun 18e jaar in het Koninkrijk gevestigd zijn of zich aldaar vestigen benevens hun
vrouw en ongehuwde kinderen, die nog geen 18 jaar oud zijn, indien zij zich ook in het koninkrijk vestigen.
En voorts zij, die zich vestigen in  het Koninkrijk na het onderdaanschap door verzuim van aangifte in den vreemde te hebben verloren.

Ten slotte verkrijgt een vrouw door huwelijk met een Nederlands onderdaan, bedoeld in art. 1 onder
1e en 2e van de wet ook het Nederlands onderdaanschap.

Naturalisatie tot Nederlands onderdaan is niet bekend.
Het onderdaanschap gaat verloren

  1. door naturalisatie in een vreemd land;
  2. door zonder verlof van de Gouverneur-Generaal (c.q. van de Gouverneur of de Koning) zich in vreemden krijgs- of staatsdienst te begeven;
  3. door bij verblijf in een vreemd land zich niet aan te geven binnen 3 maanden na aankomst Bij een Nederlandse consulaire ambtenaar in dat land en dit bij voortgezet verblijf, niet binnen de eerste drie maanden van elk verder jaar te herhalen. Deze bepaling geldt echter alleen voor alle personen, die niet tot de inheemse bevolking van Ned.-Indië behoren;
  4. door huwelijk met een man die geen Nederlands onderdaan is.Het Nederlands onderdaanschap is een vereiste voor het lidmaatschap van vertegenwoordigende lichamen en als regel ook voor de benoembaarheid tot landsbetrekkingen en voor de uitoefening van verdere staatkundige rechten.

Ad 3: Groepen onderworpen aan de bepalingen voor Europeanen, aan die van Inlanders en aan die
voor Vreemde Oosterlingen.

In art. 163 I.S. wordt de bevolking van Ned.-Indië in drie zelfstandige groepen verdeeld, nl. in: hen, die aan de bepalingen voor Europeanen; hen die aan de bepalingen voor inlanders en hen, die aan de bepalingen voor Vreemde Oosterlingen zijn onderworpen.

In elke groep zijn zoveel mogelijk samengebracht zij, die ongeveer dezelfde rechtsbehoefte hebben.
Juist om aanpassing te verkrijgen aan de onderling verschillende rechtsbehoeften van de bevolkingsgroepen is er verschil gemaakt in de rechtstoestand, in het bestuur, de rechtspraak en het belastingwezen van de onderscheiden categorieën van de bevolking (het stelsel van het dualisme).

Aan de bepalingen voor "Europeanen” zijn onderworpen:

  1. alle Nederlanders;
  2. alle niet-Nederlanders, uit Europa afkomstig;
  3. alle Japanners;
  4. alle van elders afkomstigen die in hun land onderworpen zouden zijn aan het familierecht in       hoofdzaak berustend op dezelfde beginselen als het Nederlandse;
  5. de in Indië geboren afstammelingen van de onder 2 t/m4 genoemden.

Aan de bepalingen voor "Inlanders” zijn onderworpen degenen die behoren tot de inheemse bevolking van Indië.

Aan de bepalingen voor ,,Vreemde Oosterlingen" zijn onderworpen allen die niet vallen in de twee
reeds omschreven groepen, bijv.: Chinezen, Arabieren, Klingalezen.
Overgang naar de bevolkingsgroep van de Europeanen kan plaats hebben voor inlanders en Vreemde Oosterlingen door het verkrijgen van de nationaliteit van Nederlander of Japanner of door toepasselijk-verklaring door de Gouverneur-Generaal in overeenstemming met de Raad van Indië op de betrokkenen van de bepalingen voor Europeanen.
Overgang in een andere bevolkingsgroep, dan die waarin de betrokkene thuis behoort, kan overigens nog alleen plaats hebben voor de vrouw ten gevolge van huwelijk.
(Zie ad Gemengde Huwelijken.)


Creatie datum: 15/06/2017 12:34
Categorie: - B
Pagina gelezen 355 keren


Reacties op dit artikel

Er heeft nog niemand gereageerd.

Nieuws van den dag uit het voormalig Nederlandsch-Indië