Zoek
 
Sluiten
INDISCHE ENCYCLOPEDIE
Indopedia
INDOPEDIA
De Indische Encyclopedie
 

Index encyclopedie

Tel. / adres boeken

Recepten, Gerechten

Djamu (Jamu) - medicinale kruiden , planten en vruchten. Ziekten & Kwalen

Indische Boekrecensies

Verhalen

Bladmuziek Krontjong

Bezoekers vanaf jun. '09

 18151389 Bezoekers

 8 Bezoekers online

rss Deze artikelen zijn ook met een RSS reader te lezen. :
https://www.indopedia.nl/data/nl-articles.xml

Palembang.


Deze residentie met gelijknamige hoofdplaats is verdeeld in drie afdelingen:

  1. Palembangse Benedenlanden,
  2. Palembangse Bovenlanden en
  3. Ogan- en Komering-Hoeloe.     

Het gewest telt bijna 1.100.000 inwoners, waaronder ruim 3800 Europeanen en ruim 26.000 Chinezen.
Dit gewest heeft een oppervlakte, ongeveer 2½ x die van Nederland en is dus betrekkelijk zwak bevolkt.
Toch is het grotendeels zeer vruchtbaar en geschikt voor bijna alle cultures.
Het bestaat grotendeels uit laagland, doorsneden door talrijke rivieren, die uitstekende verkeerswegen zijn en die door de jaarlijkse
overstromingen grote en vruchtbare gebieden onder water zetten.
Het westelijke gedeelte is bergachtig en is een onderdeel van de
Barisanketen.
De voornaamste bergtoppen liggen op de grens met Benkoelen en zijn van noord tot zuid: de Goenoeng Seblat (2383m.), de Goenoeng Dèmpo (3159m.) en de Goenoeng Patah (2817m.).
Vruchtbare plateaus zijn die van Pasemah, Sëmëndo en Ranau.
Naar de talrijke waterwegen heten de meeste landstreken en thans nog onderafdelingen, districten, onderdistricten, plaatsen: Ogan-Hilir,
Ogan-Hoeloe, Komering-Hilir, Komering-Hoeloe, Banjoeasin, Moesi-Hilir, Moesi-Hoeloe, Rawas, Lematang-Hilir, Lematang-Hoeloe. (Hoeloe betekent bovenstrooms, Hilir, benedenstrooms); Moearakoeang, Air-Hitam, Moeararoepit, Moearaenim, Moearaniroe, Moearabeliti, Moearaklingi, Moearadoea, enz. (moeara betekent monding).
De Moesi heeft het uitgebreidste stroomgebied van alle rivieren in de archipel en heeft een deltamonding.
De meeste rivieren zijn goed bevaarbaar, soms tot 300km.
Nagenoeg alle afdelings- en onderafdelingshoofdplaatsen zijn per auto bereikbaar.
Door de overstromingen is men echter afhankelijk van het jaargetijde, daar de wegen alsdan niet alle berijdbaar zijn.
Dat door de overstromingen het onderhoud zeer kostbaar wordt ligt voor de hand.
De Zuid-Sumatra Spoorweg loopt van de hoofdplaats Palembang via Praboemoelih, Batoeradja, Martapoera naar Teloekbetoeng, de hoofdplaats der Lampongse districten.
Van Praboemoelih gaan zijlijnen via Moearaenim naar Lahat en naar Tandjong.
Het kustgebied is zeer moerassig, soms 100km. breed.
Dit gebied is uiteraard dun bevolkt.
De bevolking heeft zich hoofdzakelijk gevestigd langs de bevaarbare rivieren en op de bergplateaus.
De voornaamste cultures zijn die van rijst, zowel op sawa’s als op droge gronden, koffie, tabak (Ranau-tabak), rubber, pinang, katoen, kapok.
Er zijn verschillend Europese landbouwondernemingen (koffie, thee, kina, rubber, klappers, seréh).
Palembang is een uitstekend vruchtenland.
Inzameling van bosproducten is ook een bron van inkomsten.
Tal van goede houtsoorten worden in het gewest aangetroffen.
Zeevisvangst wordt uitgeoefend door de bewoners van het op palen in het water (moeras) gebouwde dorp Soengsang, aan de mond van de Moesi.
De Bataafse Petroleum Maatschappij heeft haar olieterreinen nabij Moearaenim (en elders) van waar het product door pijpleidingen wordt vervoerd naar Pladjoe (aan de Moesi, beneden Palembang) alwaar het wordt geraffineerd en de bijproducten worden vervaardigd.
Vlak bij Pladjoe, te Soengaigeroeng is de installatie van de Nederlandse Koninklijke Petroleum Maatschappij, welke eveneens concessies voor petroleumwinning in het gewest heeft.
Te Tandjong (aan de spoorweg zo even genoemd) nabij Moearaenim zijn de gouvernements Boekit-Asamsteenkolenmijnen,welke goede kwaliteit kolen leveren.
Ook de Inlandse bevolking ontgint steenkolen langs de Enim, die op bamboevlotten naar Palembang worden vervoerd.
Van de inheemse nijverheid mogen worden genoemd goud- en zilversmeden, wapensmeden en de pottenbakkerijen te Kajoeagoeng.
De koperbewerking staat niet meer op het peil van vroeger: onder de antieke stukken komen zeer fraaie exemplaren voor.
Van het weven kan hetzelfde worden gezegd.
Vermelding verdient nog het vlechten van rottanmatten voor
vloerbekleding; het fijnere werk met ingebrande motieven kan zeer fraai zijn.
De bevolking kan in hoofdzaak worden verdeeld in een Javaans en een Sumatraans-Maleis gedeelte.
Het laatste woont voornamelijk in de bergstreken.
Het Maleise element van de kusten en in de Benedenlanden, vermoedelijk afkomstig uit Malaka, is sterk vermengd met Javanen.
Ook de Koeboes (zie aldaar) komen er voor, ten noorden van de Moesi. Lampongers wonen aan de Mesoedji; de Oganners (aan de Ogan) en de Ranauers zijn eveneens uit de Lampongo afkomstig.
Rëdjangers uit Benkoelen wonen in de onderafdelingen Moesi-Hoeloe en Tebingtinggi.
In de onderafdelingen Moesi-Hilir en Rawas wonen lieden uit Djambi.
De Inlanders in de onderafdeling Lematang Hilir (met uitzondering van Sëmëndo) en in het gebied tussen de samenvloeiing van Lematang en Moesi zijn een vermenging van Boven- en Benedenlanders.
Zeer afzonderlijk staan de Sëmëndo’ers op de hoogvlakte van Sëmëndo, die vermoedelijk tot de oorspronkelijke bevolking behoren.
In iets mindere mate is dit het geval met de Pasëmahers die wonen in de onderafdeling Pasemahlanden, in sommige delen van de onderafdeling Moearadoea en in het district Ampatlawang van de onderafdeling Tebingtinggi.
De kleding vertoont in het algemeen Javaanse invloed.
De huizen zijn in het algemeen zeer goed, veelal zelfs zeer fraai.
Toen koffie en rubber goede prijzen maakten, werden vele fraaie huizen gebouwd.
De huizen staan op palen.
De hoofden dragen als hoofddeksel een kopiah, een van rottan of rësam (een varensoort) gevlochten mutsje, met rangonderscheidingen.
De kleinste autonome eenheid is de doesoen; daarboven staat de marga (de Inlandse rechtsgemeenschap volgens de Inlandse gemeenteordonnantie) bestaande uit meerdere doesoens.
Sommige doesoens, midji- doesoens geheten, zijn zelfstandig.
Tijdelijke nederzettingen voor de landbouw heten talang.
Nederzettingen bij industriecentra, pasars.
Het margahoofd heet pasirah; zij voeren de titel dëpati.
Bij wijze van onderscheiding kan hun door het hoofd van het gewest de titel pangéran worden verleend.
Zij worden door de bevolking gekozen, doch aangesteld, bevestigd en ontslagen door de resident.
Het hoofd van de marga Soengsang (hierboven genoemd) voert de titel ngabèhi.
Hun kopiah is geheel van gouddraad.
Van het gouvernement ontvangen zij bij aanstelling een rottanstok met zilveren (depati’s) of gouden (pangérans) knop, waarin het Nederlandse wapen is gegraveerd.
De pasirah is meestal van een in de marga oud-inheemse invloedrijke familie.
Wanneer de nieuw gekozen pasirah geen zoon is van de voorganger is hij toch meestal daaraan verwant.
Bij zijn optreden kiest en voert hij een djoeloer (een soort devies) meestal aan de familie eigen en van zeer oude taal (Kawi?).
Alles, ook de titulatuur duidt op Javaanse invloed.
Het doesoenhoofd heet proatin, met de titel Kriâ, Loerah of Gindâ.
Het hoofd van de pasirah-doesoen heet pëmbarab (algemene naam) of tjahaja-depati, Kriâ- of Gindâ-marga, dëpati- of Kriâ-Mangkoe.
De doesoenhoofden worden eveneens door de bevolking gekozen, doch aangesteld, bevestigd en ontslagen door het hoofd van de afdeling.
Zij dragen een met gouddraad versierde kopiah (een pembarab heeft meer goud dan een proatin).
Een doesoen is verdeeld in wijken, kampongs, onder een pënggawa, eveneens verkozen door de bevolking, aangesteld, bevestigd en ontslagen door het hoofd van de onderafdeling.
Zij dragen een kopiah met een smalle gouden rand.
Genoemde hoofden zijn alle volkshoofden of adathoofden.
Gouvernements Inlandse hoofden, dus ambtenaren zijn de hoofden van de districten en onderdistricten, waarin de onderafdelingen zijn verdeeld.
De bevolking is gelaten in het genot van haar eigen inheemse rechtspraak (zie Rechtswezen).
De marga heeft het beschikkingsrecht (zie aldaar) over de tot de marga behorende onbebouwde grond.
Het ontginnings- en het zamelrecht zijn vrij voor de leden van de gemeenschap; de inheemse bevolking van een andere marga moet daarvoor een zekere retributie (séwa boemi, boenga kajoe) betalen.
Al vroeg had in het gewest Palembang Hindoe-kolonisatie plaats.
Veel Hindoe-overblijfselen en oudheden duiden daar nog op.
Ook het in de binnenlanden gebruikte rentjongschrift schijnt van
Hindoe-oorsprong te zijn.
Uit Chinese bronnen is bekend dat in de 7e eeuw in opkomst was een Boeddhistisch rijk Çriwijaya of Sjriwidjaja, welks centrum het huidige Palembang was.
Op het einde van de 7e eeuw overschaduwde het de buurstaten Malayoe ten noorden (ter plaatse van het huidige Djambi) en Toelangbawang ten zuiden van Çriwijaya gelegen, dus in de huidige Lampongse districten in welke noordelijkste en machtigste rivier, de Soengai Toelangbawang de naam nog voortleeft.
Çriwijaya werd een machtig rijk waar de handel en de Boeddhistische wetenschap bloeiden.
Het Sanskrit, de taal van de heilige teksten, werd er ijverig beoefend en van heinde en verre kwamen Boeddhistische geleerden en priesters het land bezoeken.
Vooral met China bestond geregeld een nauw contact.
De dynastie die heerste over Çriwijaya in deze en volgende eeuwen was die van de Çailendra’s (Sjailendra’s) of bergheren.
De heerschappij van de Çailendra’s breidde zich uit over Bangka en omliggende eilanden, een deel van het Maleise schiereiland en uiteindelijk ook over Midden-Java waar het een eeuw lang regeerde (750-850).
Tegen het einde van de 12e eeuw was de macht van Çriwijaya reeds zeer aan het tanen.
Verschillende onderhorigheden hadden zich onafhankelijk gemaakt, terwijl het rijk Malayoe Çriwijaya overvleugelde.
Omstreeks 1280 kwam Malayoe echter onder de heerschappij van Java (Kediri).
Dan ligt de geschiedenis van dit gebiedsdeel enige eeuwen in het duister. Wellicht heeft het gewest in deze periode de enorme Javaanse invloed ondergaan welke thans nog duidelijk is te onderkennen: het vorstenhuis was Javaans, evenals de titulatuur van de vorsten en hoofden, de namen van de marga’s en doesoens zijn overtalrijk Javaans, de djoeloers, de kleding, het gesproken Maleis is Javaans getint, enz. Einde 16e eeuw stonden Palembang en Bantam vijandig tegenover elkander.
De aanrakingen van de O. I. Compagnie met Palembang, vanwaar zij peper haalde, dateren van 1617.
In 1642 kreeg de compagnie het monopolie voor de uitvoer van peper.
In 1658 werd de Nederlandse loge te Palembang geplunderd en de bezetting gedeeltelijk vermoord.
Het gevolg hiervan was dat een expeditie naar Palembang werd gestuurd en Palembang werd ingenomen.
De compagnie had het monopolie van de peperhandel en bouwde een fort aan de Moesi.
In 1710 nam het belang van de compagnie toe door de ontdekking van de tinmijnen op Bangka, op welk eiland de sultan van Palembang rechten pretendeerde.
Reeds voordat de Britten Java veroverden (1811), had Raffles de sultan zodanig tegen de Nederlanders opgezet dat deze alle gouvernementsambtenaren en soldaten liet vermoorden.
Toen Raffles echter luitenant-gouverneur van Java en Onderhorigheden was (tot deze laatste behoorde Palembang) zond hij op grond van deze moordpartij een strafexpeditie naar Palembang: de sultan werd onttroond en zijn opvolger moest de tin-eilanden Bangka en Billiton aan de Britten afstaan als voldoening voor de moord van 1811.
Na het herstel van het Nederlands gezag werd de sultan van Palembang die de orde en rust niet kon bewaren door Muntinghe gedwongen zijn rechten op het Palembangse gebied aan Nederland af te staan.
Raffles, intussen luitenant-gouverneur van Benkoelen geworden, wist te bewerken dat de sultan zich onder Engelse bescherming stelde.
De regering kwam nu voor ernstige moeilijkheden te staan, mede door de strijd tussen twee kroonpretendenten.
Na enige mislukte expedities werd Palembang in 1824 onder rechtstreeks bestuur gebracht.
Door knevelarijen van de Inlandse hoofden was het niet rustig.
Een militaire expeditie maakte hieraan in 1849 een einde in het eigenlijke Palembangse en in 1866 in de grensgebieden (vooral de Pasemahlanden boden ernstig verzet).
Na een tijdig ontdekte samenzwering tegen ons gezag in 1881 kwamen geen onlusten van betekenis in het gewest voor, al was tijdens de opstanden in Djambi militaire actie nodig (in 1906 in de onderafdeling Rawas, aan Djambi grenzend).
De hoofdplaats Palembang ligt niet aan zee, maar 83 km. het binnenland in, aan weerszijden van de Moesi in een lange smalle strook gebouwd.
Tot Palembang is de Moesi voor grote zeeschepen bevaarbaar bij gunstig getij; de zandbank vóór de monding en enige ondiepe gedeelten in de rivier zijn wel bezwaarlijk, maar niet onoverkomelijk.
De plaats ligt zeer laag, slechts 2 m. boven de zeespiegel; de oude stad is doorsneden met kreken om bij vloed overstromingen te voorkomen.
Bij sterke regenval echter lopen niettemin verschillende wijken onder.
De huizen voor Europeanen worden dan ook in de laatste decennia gebouwd op een hoger gelegen gedeelte Talang Semoet geheten.
De zeer talrijke Chinezen wonen goeddeels op vlotwoningen in de Moesi, welke in deze plaats nog circa een km. breed is.
De hoofdplaats telt ruim 109.000 inwoners, waaronder bijna 1900 Europeanen en ruim 15.800 Chinezen.
Andere vreemde Oosterlingen, vooral Arabieren en Voor-Indiërs zijn er ook vrij talrijk vertegenwoordigd (ruim 3800).
Wat het inwonertal betreft is Palembang de grootste stad van de buitengewesten; het is mede een belangrijke handels- en havenplaats.
De hoofdplaats heeft een gemeenteraad onder het voorzitterschap van de burgemeester.
Uiteraard is zij de zetel van de resident, van de gewestelijk militaire commandant (een luitenant-kolonel), de assistent-resident van de Palembangse Benedenlanden, de controleur van de onderafdeling Hoofdplaats Palembang en Banjoeasin-streken en van het hoofd van de exploitatie van den Zuid-Sumatraspoorweg.
Benedenstrooms liggen de bovengenoemde etablissementen van de Bataafse Petroleummaatschappij Pladjoe en van de Koninklijke Nederlandse Petroleummaatschappij Soengaigeroeng, naast de leprozerie Koendoer.
De afstammelingen van de voormalige sultans, merendeels onbemiddelde lieden en neringdoeners vormen er de inheemse adel; zij voeren de titels pangeran, raden, kjaimas.


Creatie datum: 11/01/2021 13:29
Categorie: Index encyclopedie - P
Pagina gelezen 14 keren


Reacties op dit artikel

Er heeft nog niemand gereageerd.

Nieuws van den dag uit het voormalig Nederlandsch-Indië