Zoek
 
Sluiten
INDISCHE ENCYCLOPEDIE
Indopedia
INDOPEDIA
De Indische Encyclopedie
 

Index encyclopedie

Bandung adresboek

Recepten, Gerechten

Djamu (Jamu) - medicinale kruiden , planten en vruchten. Ziekten & Kwalen

Indische Boekrecensies

Verhalen

Bladmuziek Krontjong

Bezoekers vanaf jun. '09

 18103128 Bezoekers

 17 Bezoekers online

rss Deze artikelen zijn ook met een RSS reader te lezen. :
https://www.indopedia.nl/data/nl-articles.xml

Particuliere Landerijen.

Hieronder verstaat men de soms zeer uitgestrekte landgoederen, sommige tot een uitgestrektheid van tienduizenden ha., welke vooral op het laatst van de achttiende en in het begin van de negentiende eeuw door de O.I. Compagnie of door de Indische Regering aan particulieren werden verkocht. Reeds in de 17de eeuw werden onder den G.G. J. P. Coen de eerste landen in de omtrek van Batavia in gebruik of in leen, later geconverteerd in eigendom, afgestaan ter beveiliging van die stad.
Latere verkopen hadden in hoofdzaak plaats als voorziening in de nood van de schatkist.
Die landgoederen waren min of meer bevolkt en onzekerheid bestond wat precies de verhouding was tussen landheer en opgezetene.
Hoewel somtijds werd aangenomen, dat die verhouding van geheel civielrechtelijke aard was en de opgezetene dus van de willekeur van de landheer en eventueel gesloten overeenkomsten afhing, schroomde de Regering in het begin van de 19de eeuw niet telkens in te grijpen om grove misbruiken tegen te gaan door bijv., maxima voor de van de opgezetenen te eisen heffingen vast te stellen.
In 1836 kwam een algemene regeling tot stand voor de verhouding tussen regering, landheer en opgezetenen, welke alleen gold voor de particuliere landen op Java ten westen van de Tjimanoek.
Dit reglement werd herhaalde malen gewijzigd, doch werd pas in 1912 vervangen door een nieuw reglement, waarbij de oude regeling in hoofdzaak bleef bestaan, doch verschillende strijdpunten tot oplossing werden gebracht en naar een duidelijker redactie, van de bepalingen werd gestreefd.
Voor de particuliere landen  ten oosten van de Tjimanoek op Java nl. in de voormalige gewesten Pekalongan, Semarang, Soerabaja en Pasoeroean geldt dit reglement niet.
Voor die landen bestaat slechts een korte regeling, waarbij de verhouding tussen landheer en opgezetene ongeregeld bleef.
In de buitengewesten vindt men een soort particuliere landjes in de gewesten Sumatra’s Westkust Benkoelen, Celebes en Ond. en Manado.
Zij zijn van geringe uitgestrektheid, van weinig belang en feitelijk als gewone eigendomsperceeltjes te beschouwen.
Ten westen van de Tjimanoek op Java heeft de landheer het volle eigendom van zijn land, doch zijn bevoegdheden ten opzichte van de opgezetenen zijn beperkt.
In het nieuwe reglement van 1912 is uitdrukkelijk bepaald, dat alle gronden door de Inlandse en met deze gelijkgestelde bevolking
(d.z. Chinezen en Arabieren) voor eigen rekening en risico bebouwd, bewerkt of ter bewoning als anderszins onderhouden, behoudens de uitzonderingen in het reglement voorkomende, verstaan worden aan haar in erfpacht te zijn uitgegeven, onder voorwaarde aan de eigenaar op te brengen de aan hem ter zake verschuldigde heffingen.
Voorts mag, behoudens uitzonderingen, niemand zich tegen de wil van de eigenaar op enig landgoed wonend vestigen, doch aan de anderen kant mag de eigenaar geen personen op zijn landgoed woonachtig daarvan verwijderen of doen verhuizen, ook weer behoudens uitzonderingen in het reglement genoemd.
Het erfpachtrecht van de opgezetenen is gelijk te stellen met het erfelijk individueel bezitsrecht van de Inlandse bevolking in de
Gouvernementslanden.
Het kan echter ook in handen zijn van Chinese en Arabische opgezetenen. Europeanen kunnen het recht niet uitoefenen.
Wel kan een opgezetene zijn erfpachtrecht prijsgeven ten bate van de landheer, ook al is deze Europeaan.
Niet bezwaard door het erfpachtrecht zijn de gronden welke de landeigenaar voor eigen rekening en risico laat ontginnen en bewerken, de niet geregeld bebouwde droge gronden, welke voor de tijd van één oogstjaar ter beplanting worden uitgegeven en verder de woeste gronden en de nog niet in geregeld beheer genomen bossen.
De volgens het reglement toegelaten heffingen zijn tjoeké, tuinhuur, grondhuur, de heffing van de visvangst en de heffing in arbeid, de herendiensten.
Alle andere heffingen zijn verboden.
Tjoeké tot ten hoogste 1/5 van de oogst wordt geheven naar de gebruiken van het landgoed bij het snijden of oogsten van het gewas.
In plaats daarvan kan contingent geheven worden, d.i. de heffing van een in minnelijk overleg tussen landheer en planter bepaalde hoeveelheid product, welke tijdens het rijpen van het gewas wordt vastgesteld.
Deze heffingen kunnen ten slotte vervangen worden door de padjeg, een bij voorbaat in minnelijk overleg voor een tijdvak van 5 tot 10 jaren vastgestelde heffing van iedere oogst.
Tuinhuur wordt geheven van vruchtbomen en andere voordeel opleverende bomen en struikgewassen.
Al deze heffingen kunnen vervangen worden in minnelijk overleg door een zekere hoeveelheid product in bereide staat, dan wel door geld.
Grondhuur wordt in geld geheven van stukjes grond in gebruik bij opgezetenen, waarvoor de vorengenoemde heffingen niet worden betaald.
Ook bij visvangst is ten hoogste 1/5 van de opbrengst voor de
landheer.
Herendiensten kunnen gevorderd worden van elke mannelijke opgezetene van 16 tot 50 jaar tot hoogstens een dag of nacht per week tegen verstrekking van behoorlijke voeding.
De afstand van woonplaats tot plaats van tewerkstelling mag hoogstens 8 paal bedragen.
De herendienstplichtige mag een vervanger stellen.
Op elk land moet de mogelijkheid openstaan om de herendiensten af te kopen tegen een afkoopgeld, dat zich regelt naar hetgeen op een landgoed in de laatste drie jaar als afkoopgeld werd gevorderd en in elk geval niet hoger mag zijn dan 52 X het plaatselijk koelieloon verminderd met de kosten van behoorlijke voeding.
De landheer kan dorpshoofden en algemene hoofden aanstellen, die meestal politiebevoegdheid hebben.
Allerlei andere bepalingen beschermen de belangen van de opgezetenen dan wel van de landheer en van het Gouvernement.
Op de landen ten oosten de Tjimanoek wordt, volgens de jurisprudentie, aangenomen, dat de opgezetenen een recht van zakelijke aard op hun woonerven hebben.
De landheer wordt echter geacht de vrije beschikking te hebben over de bouwvelden, zodat zeer willekeurige heffingen mogelijk zijn.

Alles hangt hier van de landheer af, die echter uiteraard veel belang heeft bij vrede en rust onder de opgezetenen van zijn land.
De toestanden op de verschillende particuliere landerijen liepen dikwijls uit elkaar.
Hier was de opgezeten bevolking gelukkig en tevreden onder het patriarchaal beheer van een goede landheer, elders had zij veel te lijden van knevelarijen en afpersingen van de landheer of de door deze aangestelde hoofden.
In het algemeen moest echter de toestand, dat zowel Inlandse opgezetenen onder de macht van particulieren stonden, als verkeerd worden beschouwd. Ook om andere redenen begon men meer en meer in te zien, dat het
wenselijk was dit particulier landbezit tot het Landsdomein terug te brengen.
In 1906 mislukte de eerste poging in die richting echter, doordat de Tweede Kamer het voorstel om het land Nanggoeng terug te kopen afstemde. In 1910 werden de Cheribonse landen Kandanghauer en Indramajoe-West terug gekocht.
Bij Ind. Stbl. 1911 no. 38 werd de mogelijkheid geopend ook particuliere landen tegen de wil van den eigenaar tot het handelsdomein terug te brengen.
Dit onteigeningsproces werd uitvoerig geregeld en begint met een verklaring bij ordonnantie, dat het algemeen belang dit terugbrengen vordert.
Gewoonlijk werden de landerijen echter teruggekocht na minnelijke onderhandelingen met de landeigenaar, waartoe commissies zijn ingesteld, die de waarde van een landgoed hebben te bepalen.
Van de uitgestrektheid particulier land was ultimo 1931 ongeveer twee derde gedeelte, n.l. een uitgestrektheid van 657.686 ha. tegen een totale koopprijs van ruim ƒ 84 miljoen tot het Landsdomein teruggebracht.
In verband met de ongunstige toestand van ’s Lands schatkist werd in de laatste jaren van verdere aankoop afgezien.
Bij de aankoop werden de op de landen voorkomende Europese cultuurondernemingen ook aangekocht, doch als regel dadelijk weer aan de voormalige eigenaar met een kleine schadevergoeding in erfpacht voor 75 jaar afgestaan.
Op de Pamanoekan- en Tjiasem-landen werden de ondernemingen bij de terugbrenging echter uitgemeten, zodat de gronden daarvan de landheer nog in eigendom toebehoren.
De opgezeten bevolking komt door de terugbrenging in veel beter omstandigheden.
Haar grondrechten worden gehandhaafd.
In plaats van in erfpacht wordt de Inlandse bevolking geacht de gronden in erfelijk individueel bezit te hebben.
Het grondbezit van Chinezen en Arabieren werd oorspronkelijk in altijddurende erfpacht op  voet van het Burg. Wetb. veranderd, doch later is daarvoor een bijzonder recht in het leven geroepen nl. het Landerijenbezitsrecht, dat in omvang en aard gelijk is aan het erfelijk individueel bezitsrecht van de Inlanders en aan het erfpachtrecht op de particuliere landerijen.
Op de voormalige particuliere landen worden desa’s gevormd onder een desabestuur, de gewone Gouvernementsbelastingen worden geheven, de herendiensten worden afgeschaft en in het algemeen wordt er naar gestreefd de Gouvernementstoestanden zo spoedig mogelijk in te voeren.


Creatie datum: 20/01/2021 10:54
Categorie: - P
Pagina gelezen 10 keren


Reacties op dit artikel

Er heeft nog niemand gereageerd.

Nieuws van den dag uit het voormalig Nederlandsch-Indië